- introductie
- gastenboek en Forum
- mededelingen!
- NIEUW! FORUM
- Wat is GOG?
- Waarom deze website?
- Gevolgen van GOG
- mijn verhaal
- mijn gedichten
- Machtsmisbruik Verwo
- WKGZ
- ontucht door gezag
- reglement PvP
- Protocol
- Het mag niet het mag
- A. Vandermeulen
- Doen wat je moet doe
- S. J. Spero
- training GOG
- M. Heemelaar
- Finkensieper pages
- onderzoeken/ studies
- boeken
- links
- GOG door hulpverl.
- GOG door hulpverl. 2
- GOG door hulpverl. 3
- GOG in past. rel.
- GOG in past. rel. 2
- GOG onderwijs
- GOG en werk
- infopagina extra
- infopagina extra 2
- infopagina extra 3
- infopagina recht
- infopagina recht 2
- infopagina recht 3
- info vakliteratuur
- medisch tuchtrecht
- therapie &relatie
- Tactiele Bevestiging
- ACT
- Wat zeggen zij?
- hechting
- daderprofiel
- weblog 1
- weblog 2
- weblog 3
- model-protocol
- research GOG
- LOTGENOTENGROEP
- teller
- poll website
Zoeken op de site:
» medisch tuchtrecht
30-12-2009
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer 2008/257
www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl
van: A. en B., in hun hoedanigheid van inspecteur voor de Gezondheidzorg in de inspectieregio C. en kantoorhoudende te D., appellanten,
tegen E., verpleegkundige, wonende te F., verweerder in hoger beroep en in eerste aanleg, raadsman mr. J. de Haan, advocaat te Alkmaar.
1. Verloop van de procedure
De Stichting K. heeft op 18 oktober 2007 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen E. - hierna te noemen de verpleegkundige - een klacht ingediend. Bij beslissing van 12 augustus 2008, onder nummer 07/307Vp, heeft dat College de verpleegkundige gedeeltelijk de bevoegdheid ontzegd het beroep van verpleegkundige uit te oefenen, in die zin dat hem de bevoegdheid wordt ontzegd om als psychiatrisch verpleegkundige werkzaam te zijn. Voorts heeft dat college publicatie van de beslissing bepaald.
A. en B., in hun hoedanigheid van inspecteur voor de Gezondheidzorg in de inspectieregio C., verder gezamenlijk de Inspectie te noemen, zijn van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De verpleegkundige heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 1 oktober 2009, waar de Inspectie alsmede de verpleegkundige, bijgestaan door mr. De Haan, zijn verschenen.
A. en mr. De Haan hebben de standpunten van partijen bepleit aan de hand van pleitaantekeningen die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“ 2. De feiten.
2 2008/257
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:
Verweerder is op 1 december 2003 bij klaagster (hierna: de Stichting) in dienst getreden als verpleegkundige.
Op 1 maart 2007 vernam de bij klaagster werkzame psychiater G dat namens een ex- patiënte van de Stichting, H., een klacht bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg tegen verweerder was ingediend omdat verweerder een intieme relatie met H. zou hebben onderhouden tijdens en na haar verblijf bij de Stichting.
Op 2 maart 2007 heeft een gesprek daarover plaatsgevonden met verweerder. Verweerder heeft toen erkend H. tweemaal thuis te hebben bezocht en haar te hebben omarmd en gezoend. Hij heeft toen tevens gezegd dat hij niet eerder een intieme relatie met een (ex-) patiënte had gehad.
De Stichting heeft verweerder op 2 maart 2007 voor de duur van een week geschorst.
Op 5 maart 2007 heeft een andere patiënte van verweerder, I., in een gesprek met G verteld dat verweerder een seksuele relatie met haar had gehad. Verweerder had die relatie op 2 maart 2007 plotseling verbroken.
Op 6 maart 2007 vond naar aanleiding van deze nieuwe klacht een gesprek plaats met verweerder. Op 8 maart 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden met I. Zij heeft toen verteld dat de intieme relatie met verweerder in september 2006 was begonnen, dat zij seksuele gemeenschap hadden gehad en dat verweerder haar vele sms-jes had gestuurd en CD’s kado had gegeven.
I had nog 32 sms-jes van verweerder in haar telefoon bewaard. Verweerder heeft haar onder meer de volgende berichten gestuurd:
Goedemorgen lief ben je al wakker? (1 maart 2007);
Hoi lieve schat ik hou van jou hoop dat je gesprek eeen beetje ging. (…). Mis je meer dan ik kan zeggen liefs met heel mijn hart xxx ik (2 februari 2007);
Hoi lief ik heb je hevig wakker geprobeert te kussen helaas lukte het niet helemaal. Ik bel je (…) ik hou van jou liefs en kussen (je kust in je slaap ook heel erg lekker en je lachte ook heel lief) (1 januari 2007).
Bij brief van 12 maart 2007 heeft de Stichting verweerder met onmiddellijke ingang op staande voet ontslagen. Verweerder heeft tegen dit ontslag niet geprotesteerd.
Bij brief van 8 mei 2008 heeft de Stichting aan haar advocaat een verklaring gezonden van nog een andere patiënte van haar instelling, J., waarin deze patiënte
3 2008/257
heeft vermeld dat zij in 2005 tijdens een opname bij de Stichting door verweerder seksueel is misbruikt.
3. Het standpunt van klager en de klacht.
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:
met een ex-patiënte en met twee patiënten een intieme en seksuele relatie heeft onderhouden. Deze (ex-)patiënten waren aan zijn zorg toevertrouwd.
Daarbij heeft de Stichting toegelicht dat zij belang heeft bij het indienen van de klacht, omdat verweerder nog als verpleegkundige ingeschreven is in het register en hij geen blijk heeft gegeven (CTG verwijdert: zich) te beseffen dat gehandeld is in strijd met hetgeen een goed verpleegkundige betaamt. Verder heeft klager erop gewezen dat verweerder weinig of geen inzicht heeft getoond in de gevolgen die zijn handelwijze voor de bewuste patiënten heeft gehad en nog heeft en dat niet is gebleken dat verweerder maatregelen heeft getroffen om in vergelijkbare situaties niet opnieuw te handelen zoals hij heeft gedaan.
4. Het standpunt van verweerder.
Verweerder heeft ter terechtzitting ontkend een intieme of seksuele relatie te hebben gehad met J. Verweerder heeft erkend dat hij een intieme relatie heeft gehad met H en I en dat hij met I ook seksuele gemeenschap heeft gehad. De door H en I gegeven uiteenzetting van de feiten is juist, aldus verweerder.
Verweerder heeft verder aangevoerd dat hij al lang, sedert 1990, in de zorg werkzaam is en dat hij nooit eerder in de fout is gegaan. Hij heeft zich inmiddels onder behandeling gesteld van een psychotherapeut, opdat het hem verweten gedrag in de toekomst kan worden voorkomen. Hij wil graag in de psychiatrische zorg werkzaam blijven.
Voor zover nodig wordt op het verweer hieronder ingegaan.
5. De overwegingen van het college.
De klacht met betrekking tot J is pas betrekkelijk kort voor de terechtzitting namens de Stichting toegevoegd. Nu verweerder ontkent een intieme of seksuele relatie met J te hebben gehad en de overgelegde verklaring van J erg beknopt en weinig concreet is, dient de klacht voorzover betrekking hebbend op J op grond van de thans bekende gegevens ongegrond te worden verklaard.
De klachten met betrekking tot de intieme en seksuele relatie met H en I zijn gegrond, nu verweerder de hem verweten gedragingen heeft erkend.
Verweerder heeft door een intieme en seksuele relatie aan te gaan met een ex-patiënte en met een patiënte van de Stichting in strijd gehandeld met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) had behoren te betrachten.
De seksuele relatie met I is langdurig geweest (zes maanden) en, mede gezien de vele sms-berichten, intensief, waarbij ook sprake is geweest van seksuele gemeenschap. Verweerder heeft het vertrouwen dat in hem als zorgverlener werd gesteld ernstig misbruikt. Dit grensoverschrijdend gedrag wordt hem zwaar aangerekend, met name nu het ging om patiënten met psychische klachten die aan zijn zorg waren toevertrouwd. Het college acht het verwijtbaar dat verweerder nimmer zelf melding heeft gemaakt van het hem verweten gedrag en dat hij zelfs toen hij op 2 maart 2007 werd geconfronteerd met de klachten van H, desgevraagd niet heeft meegedeeld dat er nog een andere patiënte was waarmee hij seksueel contact had.
Verweerder heeft op het moment dat zijn seksuele relatie met I een aanvang nam, de verpleging van I niet gestaakt en heeft aan de Stichting nimmer gemeld dat hij grenzen had overschreden.
Wat betreft de op te leggen maatregel neemt het college in aanmerking de ernst van de klachten en de duur van de (CTG leest: het) verweten gedrag, de omstandigheid dat verweerder misbruik heeft gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen, dat het ging om kwetsbare patiënten met psychische klachten en het feit dat verweerder niet zelf tot het inzicht is gekomen dat hij grenzen had overschreden en het verweten gedrag niet uit eigen beweging aan de Stichting heeft gemeld.
Verweerder heeft ook ter terechtzitting geen inzicht getoond in de oorzaak van het hem verweten gedrag en de schade die dit gedrag bij de slachtoffers heeft veroorzaakt. Verweerder heeft niet of nauwelijks zelfreflectie laten zien. Verweerder heeft het college er voorts niet van kunnen overtuigen dat het hem verweten gedrag in de toekomst niet meer zal voorkomen. Dit baart het college te meer zorgen nu verweerder ter terechtzitting heeft meegedeeld in de psychiatrische zorg werkzaam te willen blijven. Verweerder heeft ter terechtzitting geen aanknopingspunten gegeven op basis waarvan kan worden aangenomen dat de kans dat hij zich weer schuldig zal maken aan het verweten gedrag beperkt of nihil is. Het enkele feit dat verweerder zich onder psychotherapie heeft gesteld is daartoe niet voldoende.
Dit te minder nu uit de brief van de behandelend psychotherapeut niet blijkt van een behandeling gericht op het voorkomen van de verweerder verweten gedragingen.
Gezien het vorenstaande acht het college oplegging van een vergaande maatregel gerechtvaardigd. Daarbij wijst het college er nog op dat wanneer verweerder na verloop van enige jaren kan aantonen dat een adequate behandeling heeft plaatsgevonden op grond waarvan aangenomen kan worden dat het risico van herhaling van het verweten gedrag nihil of verwaarloosbaar is, hij op grond van artikel 50 van de Wet BIG de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan verzoeken in de hem ontzegde bevoegdheid te worden hersteld.
Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.”
Lees verder op:
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/2008.257.pdf
_________________________________________________________
30-12-2009
09117
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE EINDHOVEN
www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl
heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 1 juli 2009 binnengekomen klacht van:
A, Inspecteurs voor de Gezondheidszorg te ’s-Hertogenbosch
klagers
tegen:
B
fysiotherapeut
werkzaam te C
verweerder
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift en de aanvulling daarop
- het verweerschrift
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De klacht is ter openbare zitting van 16 oktober 2009 behandeld. Partijen waren aanwezig, verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. H. Karaca. Klagers hebben pleitnotities overgelegd.
2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende:
Klagers hebben meldingen ontvangen van twee ex-patiëntes van verweerder, inhoudende dat hij seksueel grensoverschrijdend heeft gehandeld. Het betreft een melding van november 2004 (casus 1) en een melding in december 2008 (casus 2).
Casus 1
- 1 -
09117
Patiënte heeft deze klacht in eerste instantie neergelegd bij de commissie van toezicht van de beroepsvereniging van fysiotherapeuten, het KNGF. De commissie van toezicht heeft in haar beslissing van 2 december 2004 de klacht dat verweerder zijn professionaliteit heeft geschonden doordat de behandelrelatie is verworden tot een liefdesrelatie, gegrond verklaard en zij heeft klager opgelegd de maatregel van schorsing van het lidmaatschap voor de duur van een maand, met veroordeling van verweerder in de kosten van de commissie.
Na door verweerder ingesteld beroep heeft de commissie van beroep van de KNGF bij beslissing van 27 april 2005 het beroep verworpen, met bekrachtiging van de beslissing van de commissie van toezicht, met oplegging van de sanctie van een schorsing van het KNGF-lidmaatschap voor de duur van twee maanden, met veroordeling van verweerder in de kosten.
Patiënte kwam op 21 januari 2004, op verwijzing van haar huisarts, voor het eerst onder behandeling van verweerder wegens rugklachten. De behandeling, bestaande uit in totaal 16 behandelingen, heeft tot en met 31 maart 2004 geduurd.
Over hetgeen in de loop van de behandeling heeft plaatsgevonden bestaan verschillende lezingen van patiënte en verweerder. Wel staat als door verweerder erkend vast dat onmiddellijk na de beëindiging van de laatste behandeling een liefdesrelatie heeft bestaan, totdat verweerder deze op 4 mei 2004 heeft beëindigd.
Casus 2
Patiënte kwam bij verweerder met klachten over haar rechter bil en achterzijde rechter been. Zij had ook al jaren stijfheid in het rechter been. In het behandelplan heeft verweerder genoteerd: Blokkade LWK +SIG re + mobilisatie rechter heupgewricht. In het elektronisch dossier heeft hij daaraan toegevoegd: tevens myalgieën lumbale wk en gluteale musculatuur.
Er vonden behandelingen plaats op 5,10, 12 en 14 november 2008 en op 1 en 4 december 2008. De behandelingen op 10 en 12 november zijn niet in het dossier genoteerd. Op 14 november wordt de behandeling uitgebreid met massages van nek en schouders. De laatste twee behandelingen vinden plaats op 1 en 4 december. Verweerder noteert daarover op 1 december dat patiënte aangeeft dat zij nog pijn heeft vanuit de rechter bilspier bij de aanhechting van de tuber ischiadicum rechts, mogelijk een slijmbeursirritatie. Op 4 december maakt hij melding van een frictie van de aanhechting musculatuur bij de tuber ischidiacum rechts. En hij sluit af met: “Patiënt vond de behandeling niet gepast en stopt de behandeling.”.
- 2 -
09117
3. Het standpunt van klagers en de klacht
Casus 1
a) Klagers concluderen na eigen onderzoek dat tijdens de behandeling een affectieve relatie is ontstaan die op enig moment is overgegaan in een seksuele relatie. De patiënte heeft haar gevoelens voor verweerder kenbaar gemaakt tijdens de behandelperiode. Verweerder heeft deze gevoelens niet actief afgewezen, niet bespreekbaar gemaakt en niet overwogen de patiënt door te verwijzen naar een andere fysiotherapeut. Toen de patiënt zich tijdens de behandeling verder ontkleedde dan noodzakelijk was, heeft verweerder dit niet gecorrigeerd.
Verweerder erkent dat een seksuele relatie is ontstaan maar zegt dat het seksueel contact pas na het beëindigen van de behandeling heeft plaatsgevonden. Hij erkent wel dat het seksueel contact plaatsvond in de behandelkamer. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 24.1 van de Modelregeling fysiotherapeut-patiënt doordat hij zich niet heeft onthouden van contacten van seksuele aard en zich niet heeft onthouden van verbale of lijfelijke activiteiten. Ingevolge artikel 39, a, b en c had hij de behandeling moeten overdragen toen andere dan zakelijke gevoelens, zowel bij hem als bij de patiënt, een rol begonnen te spelen.
De inspectie heeft deze casus destijds afgesloten met het advies aan verweerder om in therapie te gaan om te leren zijn professionele grenzen beter te bewaken. Nadat de toenmalige therapeut liet weten de kans op recidive zeer klein te achten, is de inspectie om die reden geen tuchtzaak begonnen.
b) Het behandeldossier is zeer summier en voldoet niet aan de richtlijn.
c) Verweerder heeft in het kader van het hoger beroep bij de commissie van beroep het nodig gevonden om zijn patiënte een psychiatrische diagnose op te plakken (theatrale persoonlijkheidsstoornis). Daarmee heeft hij gehandeld in strijd met gedragsregel 17, waarin is vermeld dat een therapeut zich moet onthouden van uitspraken die buiten zijn deskundigheid liggen. Ook heeft hij zich hiermede onnodig grievend uitgelaten.
Casus 2
a) De patiënte is van mening dat verweerder haar onzedelijk heeft betast. Verweerder ontkent dit. Wel staat vast dat klaagster de aanraking als grensoverschrijdend heeft ervaren. Er is van de zijde van verweerder weinig informatie. Verweerder verwijst naar het verslag; daarin wordt de beenmassage, waarbij de patiënte het grensoverschrijdend handelen heeft ervaren, niet genoemd. Desgevraagd erkent verweerder dat een beenmassage heeft plaatsgevonden.
b) Patiënte kwam met een hulpvraag voor bil- en beenklachten. Op initiatief van verweerder werd de behandeling uitgebreid naar rug- en nekmassage. Deze uitbreiding wordt niet
- 3 -
09117
gesteund door onderzoeksgegevens of aantekeningen in het dossier. Niet gebleken is dat de patiënt heeft gevraagd ook die regio’s te behandelen.
d) de uitbreiding van de behandeling is niet uitgelegd aan patiënte. Ook zegt verweerder dat hij gedurende de behandeling fricties heeft gegeven op de tuber ischiadicum. Mogelijk zijn deze volgens verweerder verkeerd geïnterpreteerd en heeft zij ze als al te intiem ervaren. Klagers menen dat zodoende de behandeling onvoldoende is uitgelegd.
e) Er is onvoldoende dossiervoering, terwijl toch in casus 1 verweerder door de commissie van toezicht, door de beroepscommissie en door de inspectie erop is gewezen dat zijn dossiervoering onvoldoende is.
f) Verweerder laat zich ook in deze casus onprofessioneel uit jegens zijn patiënte. Verweerder lijkt onvoldoende te beseffen waar hij een grens dient te trekken. Hij betwist dat hij heeft gesproken over mooie billen; waarschijnlijk heeft hij gesproken over goedgevormde billen; hij vindt het niet ongepast een compliment te maken indien iemand zich onzeker voelt.
Resumerend luidt de klacht:
1. Verweerder is een seksuele relatie aangegaan met een patiënte (casus 1).
2. Verweerder heeft zich niet onthouden van verbale en/of seksuele intimiteiten in beide casus.
3. Verweerder heeft zich niet onthouden van uitspraken die buiten zijn deskundigheid liggen.
4. Verweerder toont onvoldoende respect in verbaal gedrag en handeling voor de patiënten in beide casus. Er is sprake van onprofessionele bejegening van de patiënten in beide casus.
5. Verweerder heeft onprofessioneel gehandeld door de behandeling onvoldoende op de hulpvraag en het onderzoek af te stemmen.
6. Verweerder heeft onvoldoende informed consent verkregen in de tweede casus.
7. Verweerder heeft onvoldoende dossiervoering toegepast in beide casus.
4. Het standpunt van verweerder
Ad casus 1
Verweerder heeft in casus 1 een liefdesrelatie gehad kort na de behandelperiode, met beider goedvinden. Verweerder is hiervoor reeds gestraft. Er is geen enkele relatie met casus 2.
Ad casus 2
Volgens verweerder is zijn verslaglegging volledig geweest. De patiënte is behandeld volgens de regels.
Ter zitting heeft verweerder nog het volgende aangevoerd.
- 4 -
09117
Casus 1 heeft verweerder zijn huwelijk al gekost; het heeft hem twee jaar van zijn leven gekost. Er zijn ook al sancties opgelegd.
Verweerder stelt dat hij tijdens de behandeling geen fout heeft gemaakt en geen misbruik heeft gemaakt. Tijdens de behandeling waren er geen aanwijzingen als genoemd in de code dat hij had moeten stoppen met de behandeling.
Verweerder is 30 jaar fysiotherapeut. Het is een keer fout gegaan, in casus 2. Verweerder heeft in zijn ogen gedaan wat hij had moeten doen, maar de patiënte heeft het als ongepast ervaren. Verweerder heeft er met patiënte niet over gesproken vanwege de ervaring met casus 1. Hij kan zich voorstellen dat zij een behandeling rond het zitbeen ongepast vond; je zit heel dicht bij de schaamstreek. Hij heeft tevoren uitgelegd wat hij ging doen. Verweerder heeft casus 2 besproken met een collega in de buitenpraktijk, nadat hij was opgeroepen door de inspectie.
Lees verder op:
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/2009.117.ehv.pdf
___________________________________________________________
30-12-2009
08/354VP
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE AMSTERDAM
www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl
Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 9 december 2008 binnengekomen klacht van:
A,
gevestigd te B,
vertegenwoordigd door C, voorzitter van de raad van bestuur,
k l a a g s t e r,
tegen
D,
verpleegkundige,
wonende te B,
destijds werkzaam te B,
v e r w e e r d e r.
1. Het verloop van de procedure.
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van de zitting van 10 februari 2009, waarbij de zaak is aange-houden;
- het antwoord met de bijlagen;
- de repliek;
- de dupliek;
- het proces-verbaal van het op 17 augustus 2009 gehouden vooronderzoek;
- de aanvullende stukken, toegezonden door klaagster en binnengekomen op 10 september 2009.
De klacht is ter openbare terechtzitting van 22 september 2009 behandeld.
Partijen waren aanwezig, waarbij klaagster werd vertegenwoordigd door E, waarne-mend geneesheer-directeur en psychiater.
1
08/354VP
2. De feiten.
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:
Klaagster exploiteert een instelling op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg op diverse locaties, waaronder F en G in B. Verweerder is in 1993 bij klaagster (hierna: de Stichting) in dienst getreden als psychiatrisch verpleegkundige. In 2003 heeft verweer-der een locatieverbod voor de locatie G gekregen. Nadien is verweerder enige tijd extra begeleid in het bewaken van een professionele afstand tot patiënten.
In december 2006 is patiënte L.S. overgeplaatst naar locatie F. Als reden van overplaat-sing werd vermeld dat patiënte stalkingsgedrag vertoonde naar haar psychiater, op wie zij verliefd zou zijn. In F zijn afspraken gemaakt omtrent de bejegening van L.S., waar-onder dat zij voornamelijk door vrouwen behandeld zou worden en er zijn strikte regels over haar benadering afgesproken, die als kenmerk hebben haar gedrag te begrenzen. Verweerder was het met deze benadering niet eens. Hij was van mening dat patiënte juist wél meer aandacht moest krijgen.
Sedert kerst 2006 is er een intieme relatie ontstaan tussen verweerder en L.S. die tot februari/maart 2009 heeft voortgeduurd. In de periode dat zij op de klinische locatie F was opgenomen, vanaf kerst 2006 tot begin oktober 2007, verbleef verweerder gedu-rende veel van zijn diensten één of anderhalf uur met haar, veelal op haar kamer met afgesloten deur. L.S. is een aantal keren bij hem thuis geweest.
De afdelingsmanager, mevrouw H, heeft op 5 maart en 5 juni 2007 gesprekken met verweerder gevoerd, onder meer over het bewaken van grenzen in het contact met cliën-ten. Haar waarnemer I heeft op 26 oktober 2007 met verweerder besproken dat hij het contact met L.S. moest staken. Verweerder ontkende toen dat in zijn contacten met L.S. sprake zou zijn van seksueel gedrag.
Naar aanleiding van de afspraken gemaakt in laatstgenoemd gesprek heeft verweerder op 1 november 2007 aan L.S. te kennen gegeven dat hij de relatie moest beëindigen.
2
08/354VP
Kort hierna heeft L.S. haar begeleider verteld dat tijdens de contacten met verweerder ook sprake was van een seksuele relatie.
Op 2 november 2007 heeft I, voornoemd, samen met E, afdelingspsychiater, wederom een gesprek met verweerder gevoerd, waarin hem is meegedeeld dat hij per direct werd geschorst in zijn werkzaamheden. Verweerder gaf daarin aan dat hij verliefd was op L.S.; hij ontkende dat er sprake was van een seksuele relatie. Ten slotte heeft naar aan-leiding van de schorsing op 13 november 2007 een gesprek plaatsgevonden met H, J, sr adviseur po&o, verweerder en K. Ook toen ontkende verweerder dat sprake was van seksueel contact; wel betuigde hij spijt dat hij geen initiatief heeft ondernomen de rela-tie te bespreken met bijvoorbeeld zijn leidinggevende.
Op 21 februari 2008 heeft de Stichting de kwestie bij de Inspectie voor de Gezond-heidszorg (IGZ) gemeld.
De Stichting heeft in maart 2008 een onderzoekscommissie verzocht een onderzoek te doen naar onder meer de feiten rond de wijze van het uitvoeren van verweerders hulp-verleningstaken. Op de vraag in welke mate verweerder zijn beroepscode heeft over-schreden, heeft de commissie in haar rapport van juli 2008 onder meer geconcludeerd:
- ‘’De commissie vindt het zorgwekkend dat de relatie nog steeds voortduurt....De heer D geeft aan de relatie niet te willen afbreken om L.S. niet het gevoel te geven dat zij misbruikt is. De commissie acht deze zienswijze onbegrijpelijk......
Op basis van het bovenstaande is de conclusie gerechtvaardigd dat de heer D de gedragscode heeft overschreden in de re-latie met L.S.
Dit is hem te verwijten omdat:
- hij willens en wetens handelde (hij was goed op de hoogte van de gedragscode),
- als professional (goed geïnformeerd) hij L.S. zoekt en treft in de kern van haar vastgestelde diagnose,
- hij herhaaldelijk zijn relatie met L.S......ontkent, in ieder geval tegen de leidinggevenden.
- hij niet overtuigd is van de waarde van de gedragscode en nog steeds niet bereid is die op te volgen.
Op de vraag of de instelling gedaan heeft wat ze moest doen volgens haar eigen beleid heeft de commissie als volgt gerapporteerd:
- “De commissie vindt het zorgwekkend dat niet eerder is ingegrepen in het gedrag van de heer D. Zoveel
signalen kunnen niet genegeerd worden.”....
De arbeidsovereenkomst van verweerder met de Stichting is in onderling overleg per 1 april 2008 beëindigd.
Thans volgt verweerder een opleiding tot onderwijzer (PABO).
3
08/354VP
3. Het standpunt van klaagster en de klacht.
De klacht, zoals nader geformuleerd ter zitting, houdt -zakelijk weergegeven- in dat verweerder een intieme relatie met een cliënte is aangegaan en heeft onderhouden in een periode dat hij als verpleegkundige een beroepsmatige hulpverleningsrelatie met haar had binnen een klinische vestiging van de instelling. Deze relatie hield tevens een sek-suele relatie in. De relatie duurde in juli 2008 nog voort.
Klaagster is van mening dat sprake is van een gerede kans op recidive.
4. Het standpunt van verweerder.
Verweerder heeft aangevoerd dat er zich met grote regelmaat incidenten voordeden met L.S.. Het team gaf hem dan de ruimte om met L.S. te spreken en haar tot rust te bren-gen, omdat verweerder met zijn interventies een goede invloed op patiënte had.
Verweerder ziet in dat hij niet juist heeft gehandeld, maar is van mening dat de Stich-ting ten onrechte niet eerder heeft ingegrepen, terwijl men wel op de hoogte was of kon zijn van zijn intensieve contact met L.S. Volgens hem is het onderzoek door de onder-zoekscommissie niet volledig geweest. Hij wijst erop dat het contact dat hij met L.S. had ook een positief effect op haar had.
Nadat de Stichting hem had geschorst heeft hij contact met L.S. gehouden omdat hij de relatie wilde beëindigen op een voor haar begrijpelijke en niet schadelijke wijze.
5. De overwegingen van het college.
De klacht met betrekking tot de intieme relatie van seksuele aard met L.S. is gegrond, nu verweerder de hem verweten gedragingen heeft erkend. Verweerder heeft door een intieme en seksuele relatie aan te gaan met een patiënte van de Stichting in strijd gehan-deld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) had behoren te betrachten.
De relatie is langdurig geweest en heeft plaatsgevonden zowel in als buiten de instel-ling. De relatie is gedurende de opname van patiënte op F intensief geweest en het con-tact heeft nog lange tijd voortgeduurd, ook nadat de Stichting verweerder had verboden nog contact met patiënte te hebben en vervolgens in aansluiting op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Lees verder op:
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/08354vp.asd.pdf
13-10-2009
Tuchtrecht.nl in de lucht
www.refdag.nl
DEN HAAG (ANP) – Uitspraken van tuchtrechters zijn vanaf woensdag in te zien op één internetsite, www.tuchtrecht.nl. Veel tuchtcolleges voor bijvoorbeeld advocaten, gerechtsdeurwaarders, artsen en notarissen publiceerden hun uitspraken tot voor kort alleen via vakbladen.
Op de website krijgen de uitspraken een uniek nummer waardoor ze makkelijker zijn te vinden. De centrale website is een gezamenlijk initiatief van het ministerie van Justitie, het ministerie van Binnenlandse Zaken en de Raad voor de rechtspraak.
Volgens het kabinet bevordert de doorzichtigheid van tuchtrechtelijke uitspraken het vertrouwen van mensen en versterkt het de positie van klagers. Ook moet er van publicatie op internet een preventieve werking uitgaan voor beroepsgenoten.
Een tuchtrechter kan een waarschuwing of berisping uitdelen of iemand schorsen of uit het ambt zetten. Veel ’gewone’ uitspraken van rechters worden al jaren op internet gezet.
__________________________________________________________
http://www.xs4all.nl/~advocare/folder55.htm
Bovenstaande link verwijst naar een internetpagina met uitgebreide informatie over het medisch tuchtrecht.
Wanneer de link niet werkt, kopieer deze dan en plaats het in de zoekbalk van de zoekmachine van internet.
__________________________________________________________
16-6-2009
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/p0801p.pdf
Echt verbijsterd was ik toen ik bovenstaand verslag van het Tuchtcollege las. Wil je eens lezen hoe het echt op alle fronten mis kan gaan bij hulpverlenen in relatie met cliënt, lees dit dan vooral.
__________________________________________________________
16-6-2009
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/Images/Jaarverslag%202008_tcm37-29660.pdf
Hierboven een link ( te copiëren) voor het jaarverslag van het Medisch Tuchtcollege 2008 op PDF- bestand
_________________________________________________________
24-3-2009
Rep. nr. GP2008/01
GOG door gezondheidszorgpsycholoog
6 maanden uitschrijving BIG-register&verplicht tot 50 uren supervisie
_____________________________________________________
17-3-2009
Uitspraak RTC Amsterdam zaak RS:
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/08096.asd.pdf
_________________________________________________________
5-3-2009
uitspraak:
Vrijspraak voor therapeute die relatie had met tbs’er
http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BH4852&u_ljn=BH4852
__________________________________________________________
19-2-2009
Uitspraak Tuchtcollege in verband met ontucht SPV-er uit Eindhoven.
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/2008.211.pdf
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer 2008/211 van: A., verpleegkundige, wonende te B., appellant, verweerder in eerste aanleg,gemachtigde mr.drs. A.H.J. de Kort, advocaat te
Sint Michielsgestel,
tegen C., wonende te D., verweerster in hoger beroep, klaagster in eerste aanleg, raadsvrouw mr. A.B. Noordhof, verbonden aan ARAG Rechtsbijstand.
1. Verloop van de procedure C. - hierna te noemen klaagster - heeft op 8 januari 2008 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen verpleegkundige A. - hierna te noemen de verpleegkundige - een klacht ingediend. Bij beslissing van 18 juni 2008, onder nummer 0802, heeft dat College de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en aan de verpleegkundige de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register opgelegd met bij wijze van voorlopige voorziening schorsing van die inschrijving.
De verpleegkundige is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 11 december 2008, waar zijn verschenen E., echtgenoot van klaagster, bijgestaan door mr. A.B. Noordhof, en de verpleegkundige, bijgestaan door mr. drs. A.H.J. de Kort. Klaagster is niet ter terechtzitting aanwezig. De raadslieden hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1. De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden, zakelijk weergegeven het volgende in.
3. Het standpunt van klaagster en de klacht
Klaagster verwijt verweerder dat hij heeft geëxperimenteerd met een DIS-patiënte en haar seksueel heeft misbruikt.
Zij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - nog het navolgende aangevoerd. De begeleiding door verweerder na december 2005 was zeer intensief. Verweerder was 7 dagen per week 24 uur per dag voor klaagster bereikbaar. De contacten zijn te kwalificeren als begeleiding en behandeling van een psychiatrisch patiënte en niet als vriendendienst. De wekelijkse sessies bij verweerder waren behoorlijk heftig. Klaagster kreeg veel last van dissociaties en raakte zodanig geëmotioneerd dat zij niet meer in staat was zelf naar huis terug te rijden. In de thuissituatie leidde dit regelmatig tot crisissituaties. De seksuele handelingen van verweerder met klaagster zijn absoluut laakbaar en tuchtrechtelijk verwijtbaar. Bovendien zijn zij in strijd met de Beroepscode voor sociaal psychiatrisch verpleegkundigen. Toen klaagster in september 2007 aan haar galblaas werd geopereerd, werd zij ook door verweerder - met uitsluiting van haar echtgenoot - vóór, tijdens en na de operatie begeleid.
Deze affaire heeft dramatische gevolgen gehad voor klaagster, haar echtgenoot en haar gezin. De klachten welke klaagster had, zijn in alle hevigheid toegenomen en geëscaleerd. Klaagster is thans opgenomen.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft - kort en zakelijk weergegeven - het volgende betoogd.
Het contact in december 2005 is niet begonnen als behandeling. Verweerder wilde er als ‘oud hulpverlener’ niet echt bij betrokken raken, maar er was geen houden aan. Klaagster wilde het contact met hem behouden; haar thuissituatie leverde haar angst op en zij leefde met haar gezin van crisis naar crisis. Verweerder en klaagster hebben er samen veel energie in gestoken om verweerder te transformeren van oud hulpverlener naar vriend, hetgeen gelukt is. Uit de vriendschap groeide een seksuele relatie. Verweerder heeft zich geen moment gerealiseerd dat hij door klaagster bij de operatie te begeleiden weer haar hulpverlener was. Het verwijt met een DIS patiënte te hebben geëxperimenteerd is niet juist. Het contact is altijd open, eerlijk en veilig geweest. Verweerder kreeg in dat contact ook met de binnenwereld van klaagster te maken. Hij is daar altijd met de grootst mogelijke zorgvuldigheid mee omgegaan. Verweerder beseft nu dat hij alle professionaliteit met zijn vriendschap heeft ingeleverd en verdwaald is geraakt in persoonlijke gevoelens. De aanklacht seksueel misbruik raakt hem diep; de realiteit is dat er een relatie is ontstaan en hij zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen. Hij erkent de gedragscode te hebben
overschreden.
Verweerder, meer dan 35 jaar werkzaam in de psychiatrie, is ontheven uit zijn functie en heeft nog geen andere. Hij was van plan een praktijk voor psychosociale hulp op te zetten. Door deze situatie is verweerder echter onzeker geworden.”
__________________________________________________________
10-2-2009
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer 2008/211 van:
A., verpleegkundige, wonende te B., appellant, verweerder in eerste aanleg,gemachtigde mr.drs. A.H.J. de Kort, advocaat te
Sint Michielsgestel,
tegen
C., wonende te D., verweerster in hoger beroep, klaagster in eerste aanleg, raadsvrouw mr. A.B. Noordhof, verbonden aan ARAG Rechtsbijstand.
1. Verloop van de procedure
C. - hierna te noemen klaagster - heeft op 8 januari 2008 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen verpleegkundige A. - hierna te noemen de verpleegkundige - een klacht ingediend. Bij beslissing van 18 juni 2008, onder nummer 0802, heeft dat College de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en aan de verpleegkundige de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register opgelegd met bij wijze van voorlopige voorziening schorsing van die inschrijving.
De verpleegkundige is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 11 december 2008, waar zijn verschenen E., echtgenoot van klaagster, bijgestaan door mr. A.B. Noordhof, en de verpleegkundige, bijgestaan door mr. drs. A.H.J. de Kort. Klaagster is niet ter terechtzitting aanwezig. De raadslieden hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1. De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden, zakelijk weergegeven het volgende in.
“ 3. Het standpunt van klaagster en de klacht
Klaagster verwijt verweerder dat hij heeft geëxperimenteerd met een DIS-patiënte en haar seksueel heeft misbruikt. 2008/211 2 op en zij leefde met haar gezin van crisis naar crisis. Verweerder en klaagster hebben er samen veel energie in gestoken om verweerder te transformeren van oud hulpverlener naar vriend, hetgeen gelukt is. Uit de vriendschap groeide een seksuele relatie. Verweerder heeft zich geen moment gerealiseerd dat hij door klaagster bij de operatie te begeleiden weer haar hulpverlener was. Het verwijt met een DIS patiënte te hebben geëxperimenteerd is niet juist. Het contact is altijd open, eerlijk en veilig geweest. Verweerder kreeg in dat contact ook met de binnenwereld van klaagster te maken. Hij is daar altijd met de grootst mogelijke zorgvuldigheid mee omgegaan. Verweerder beseft nu dat hij alle professionaliteit met zijn vriendschap heeft ingeleverd en verdwaald is geraakt in persoonlijke gevoelens. De aanklacht seksueel misbruik raakt hem diep; de realiteit is dat er een relatie is ontstaan en hij zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen. Hij erkent de gedragscode te hebben 2008/211 3 overschreden.
Verweerder, meer dan 35 jaar werkzaam in de psychiatrie, is ontheven uit zijn functie en heeft nog geen andere. Hij was van plan een praktijk voor psychosociale hulp op te zetten. Door deze situatie is verweerder echter onzeker geworden.”
2.2. Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
“ 5. De overwegingen van het college
Het collegeis van oordeel dat niet is gebleken dat er sprake is geweest van experimenteren met een DIS patiënte. In de stukken noch in de verklaring van de getuige is daarvoor enig aanknopingspunt te vinden.
Het optreden van verweerder sedert december 2005 kan volgens het college al snel niet meer als vriendendienst worden gekwalificeerd. Het wekelijkse bezoek, het intensieve contact en uiteindelijk de begeleiding bij de operatie duiden op een hulpverlenersrelatie.
In die relatie is verweerder duidelijk over de schreef gegaan door een seksuele relatie aan te gaan. Verweerder heeft zijn professionaliteit verloren door zijn persoonlijke gevoelens.
Vast staat dat verweerder daarmee heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende beroepscode.
De klacht is dan ook gedeeltelijk gegrond.
Het college tilt zwaar aan het feit dat verweerder met klaagster een seksuele relatie is aangegaan en deze niet eigener beweging - op korte termijn - heeft beëindigd. Verweerder heeft weliswaar aangegeven dat hij spijt van het gebeuren heeft, maar het college kan zich niet aan de indruk onttrekken dat die spijt meer gericht is op de voor hem zelf opgetreden gevolgen dan op de voor klaagster ontstane situatie, nu verweerder heeft aangegeven van mening te zijn dat klaagster zich wel bevond bij die relatie. De vraag is of verweerder wel heeft onderkend dat klaagster in die relatie steeds meer afhankelijk werd van hem.
Gelet op het vorenoverwogene en op het feit dat verweerder het college niet heeftkunnen overtuigen dat te dezen geen sprake is van recidivegevaar, is het college van oordeel dat verweerder niet meer in de gelegenheid moet worden gesteld zijn werk als verpleegkundige uit te oefenen. Dit brengt mede dat als maatregel doorhaling van de inschrijving in het register zal worden opgelegd.
Omdat zulks eerst kan geschieden wanneer de onderhavige beslissing onherroepelijk is geworden, zal bij wijze van voorlopige voorziening conform het bepaalde in
artikel 48 lid 8 van de Wet BIG - nu het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg zulks vordert - de schorsing van de inschrijving worden opgelegd.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
- Klaagster is in de periode tussen mei 2002 en maart 2004 een aantal malen, in totaal gedurende ongeveer zeventien maanden, opgenomen geweest op de PAAZ van het F. te G. ( verder: MMC). Vanaf maart 2004 tot ongeveer mei 2005 is zij daar poliklinisch behandeld.
- De verpleegkundige is sinds 1971 werkzaam in de psychiatrie, sinds 1977 als sociaal-psychiatrisch verpleegkundige. In de periode dat klaagster klinisch en poliklinisch werd behandeld in het F. was de verpleegkundige daar in laatstgenoemde hoedanigheid werkzaam en nauw betrokken bij haar behandeling. De verpleegkundige heeft klaagster in mei/juni 2005 begeleid bij de overname van haar behandeling door de GGZ G..
- In december 2005 heeft klaagster contact gezocht met de verpleegkundige. Zij stuurde hem een kaart met de mededeling dat van de beloofde behandeling door GGZ G. nog niets terecht was gekomen en dat er met haar spv-er geen ‘klik’ was. - Hierop volgde een periode waarin klaagster en de verpleegkundige elkaar zeer frequent en op het laatst vrijwel dagelijks mailden en/of opbelden en/of smsten. Na enige tijd bezocht klaagster de verpleegkundige ook wekelijks thuis. Dit contact vond plaats in een praktijkruimte, bestemd voor een na zijn pensionering op te zetten praktijk voor psycho sociale hulp. In de eerste helft van het jaar 2007 hebben klaagster en de verpleegkundige elkaar wederzijds met partners bezocht.
- In het voorjaar 2007 kreeg het contact tussen klaagster en de verpleegkundige fysieke aspecten in de vorm van knuffels en rond mei/juni 2007 was er sprake van een eerste seksueel contact. - Hierop volgde een periode waarin klaagster en de verpleegkundige elkaar zeer frequent en op het laatst vrijwel dagelijks mailden en/of opbelden en/of smsten. Na enige tijd bezocht klaagster de verpleegkundige ook wekelijks thuis. Dit contact vond plaats in een praktijkruimte, bestemd voor een na zijn pensionering op te zetten praktijk voor psycho sociale hulp. In de eerste helft van het jaar 2007 hebben klaagster en de verpleegkundige elkaar wederzijds met partners bezocht.
- In het voorjaar 2007 kreeg het contact tussen klaagster en de verpleegkundige fysieke aspecten in de vorm van knuffels en rond mei/juni 2007 was er sprake van een eerste seksueel contact.
In september 2007 heeft de verpleegkundige klaagster begeleid toen zij in het F. een galblaasoperatie moest ondergaan.
- Dat er sprake was van een seksuele relatie tussen klaagster en de verpleegkundige ontdekte klaagsters echtgenoot medio oktober 2007 toen hij een mail van de verpleegkundige aan klaagster onderschepte. Hierna is het contact tussen klaagster en de verpleegkundige beëindigd.
- De verpleegkundige is nadat hij zijn werkgever van het gebeuren op de hoogte had gebracht per direct uit zijn functie ontheven.
- In de Beroepscode voor sociaal psychiatrische verpleegkundigen is - onder andere - het volgende opgenomen:
[…]
• Zowel tijdens als na afloop van een behandeling dient de SPV zich te onthouden van gedrag waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat hierdoor het vertrouwen in het beroep wordt geschaad.
[…]
• Het is de SPV verboden gedurende de looptijd van de hulpverlening en na afloop hiervan zolang er sprake zou kunnen zijn van enige afhankelijkheid tussen de SPV en de cliënt, een andere relatie met de cliënt te hebben dan een hulpverleningsrelatie, hetgeen onder meer het verbod inhoudt dat de cliënt en/of SPV deze relatie als seksueel van aard zal ervaren, zoals seksueel getinte opmerkingen alsmede het aanraken van genitaliën of andere lichaamsdelen die normaliter met seksualiteit geassocieerd worden.
4. Procedure in hoger beroep
4.1. Het gaat in deze procedure - kort samengevat - om het volgende.
In eerste aanleg heeft klaagster de verpleegkundige verweten a) dat hij met een DIS (dissociatieve identiteitsstoornis) -patiënte heeft geëxperimenteerd en b) dat hij haar meerdere keren seksueel heeft misbruikt. Het onder a) vermelde verwijt heeft het Regionaal Tuchtcollege niet gegrond geacht en van dit oordeel is geen beroep ingesteld. De vraag of de verpleegkundige heeft geëxperimenteerd met een DIS patiënte maakt geen deel uit van het debat in hoger beroep.
Van het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht dat de verpleegkundige 2008/211 6
De verpleegkundige geeft aan dat hij het klachtwaardige van zijn handelen toen niet heeft ingezien en dat er in zijn optiek louter sprake was van een wederzijdse liefdesrelatie. Inmiddels heeft hij spijt van zijn handelen. Hij is gaan inzien dat er in bepaalde mate sprake was van afhankelijkheid van klaagster. De verpleegkundige betwist dat er gevaar is voor recidive, zoals het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen. Volgens de verpleegkundige wordt hij door de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register onevenredig zwaar getroffen. Hij heeft zijn vaste betrekking inmiddels verloren en een doorhaling van de inschrijving in het register betekent dat hij niet meer als verpleegkundige werkzaam kan zijn.
4.2. Klaagster heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping ervan.
4.3. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de vraag waarmee klaagster de verpleegkundige in december 2005 heeft benaderd gezien moet worden als een vraag om hulp en steun aan een voormalige hulpverlener omdat de beoogde vervolg- behandeling vanuit de GGZG. niet goed op gang kwam. Het had op de weg van de verpleegkundige gelegen zich in reactie op de vraag van klaagster professioneel en terughoudend op te stellen. Hij had er mee kunnen volstaan aan te bieden haar hulpvraag in te brengen binnen de setting waar zij eerder was behandeld en waar hij werkzaam was, te weten PAAZ van het F.. Zonder echter zijn team te informeren en/of een supervisor te consulteren is de verpleegkundige zelf met de hulpvraag van klaagster aan de slag gegaan. Er ontstond een zeer intensief contact en aangenomen 2008/211 7
moet worden dat klaagster meer en meer afhankelijk werd van zijn hulp en steun. De contacten met klaagster hebben uiteindelijk geleid tot een verwarrende situatie waarin hulpverlening met vriendschap en affectie verstrengeld raakte, en uitmondde in een seksuele relatie met wel degelijk elementen van hulpverlening. Het Centraal Tucht- college volgt de verpleegkundige niet in zijn stelling dat de professionele relatie met klaagster na haar ontslag uit het F. was verbroken. De verpleegkundige heeft de hulpverlening weer opgepakt en in een ander kader voortgezet.
4.4. Het aangaan van een seksuele relatie met iemand die zich aan zijn zorg en hulp heeft toevertrouwd is vanwege diens afhankelijke positie voor een hulpverlener te allen tijde volstrekt ontoelaatbaar gelet op de afhankelijkheid die in de relatie tussen hulpverlener en de ontvanger van hulp altijd bestaat. Voorts is het ook strijdig met de onder de feiten geciteerde bepalingen uit de Beroepscode. Van een hulpverlener mag worden verwacht dat hij zijn gevoelens en driften in bedwang houdt. Dat geldt temeer in deze situatie. De voor hem uit het verleden bekende psychiatrische problematiek van klaagster had de verpleegkundige moeten doen beseffen dat zo’n gecompliceerde relatie schadelijk voor klaagster zou kunnen zijn. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het handelen van de verpleegkundige onverenigbaar is met een inschrijving in het register en dat hier alleen de zwaarste maatregel, te weten doorhaling van die inschrijving, passend is. De vraag of er een kans op recidive bestaat zoals het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen kan in het licht van het voorgaande onbeantwoord blijven. Het voorgaande betekent dat het beroep wordt verworpen.
4.5. Het Centraal Tuchtcollege vindt aanleiding te bepalen dat deze beslissing ter publicatie wordt aangeboden.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheids- recht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Bijzijn, TVZ en Verpleegkunde en Nursing met verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. R.A. Torrenga, voorzitter, 2008/211 8
mrs. M. Wigleven en J.M.T. van der Hoeven-Oud, leden-juristen en S.R. Doop en
drs. D.A. Polhuis, leden-beroepsgenoten en mr. C.M.J. Wuisman-Jansen, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 10 februari 2009, door mr. A.D.R.M. Boumans, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Voorzitter w.g.
Secretaris w.g.
Het Centraal Tuchtcollege
__________________________________________________________
Tuchtcollege krijgt steeds vaker klachten over artsen Psychiaters na misbruik voor het leven geschorst
ONDERZOEK, JET BRUINSMA
Gepubliceerd op 04 april 1998 00:00, bijgewerkt op 16 januari 2009 11:48
www.volkskrant.nl
Zes psychiaters zijn tussen 1989 en 1997 voor het leven uit hun beroep gezet, omdat zij patiënten seksueel hadden misbruikt. In enkele gevallen verwekte een psychiater een kind bij zijn patiënte. In totaal kregen acht psychiaters een levenslange ontzegging om hun beroep uit te oefenen.
Van onze verslaggeefster
Jet Bruinsma
DEN HAAG
Dit blijkt een onderzoek van alle 493 tuchtrechtuitspraken over psychiaters in de periode 1989-1997. Gisteren presenteerden de onderzoekers - de Nijmeegse hoogleraar gezondheidsrecht prof. dr. J. Hubben en mr M. Heineman - hun rapport.
Volgens de onderzoekers, die soortgelijk onderzoek hebben verricht bij huisartsen en andere specialisten, is het percentage gegrond verklaarde klachten bij psychiaters (82) niet hoger dan bij anderen: 19 procent. Maar de psychiaters kregen wel vaker een levenslang verbod om hun beroep uit te oefenen. In een vergelijkbare onderzoeksperiode kregen slechts drie huisartsen een levenslange ontzegging en slechts één chirurg. Zeven psychiaters werden wegens seksueel misbruik voor vier maanden geschorst.
Het aantal 'artsen zonder grenzen' - zoals psychiaters die hun patiënten misbruiken, door verzekeraars worden genoemd - is de laatste jaren wel teruggelopen, blijkens het aantal klachten. Dat komt door de strengere opstelling van de medische tuchtcolleges, zeggen de onderzoekers. Volgens voorzitter P. de Groot van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVP) is de risicogroep, die steeds kleiner wordt, bekend. 'Ze zijn van middelbare leeftijd en verkeren vaak in een midlife-crisis; ze vertonen burn-out-verschijnselen, en ze zijn allemaal in de jaren zestig opgeleid.'
De onderzoekers constateren dat psychiaters slecht in staat blijken om een oordeel te geven over rijvaardigheid. Van de 20 klachten die daarover werden ingediend zijn er 14 (70 procent) gegrond verklaard. Volgens de tuchtcolleges is de psychiatrische rapportage vaak 'gebrekkig'.
De rapporten worden gekenschetst als 'onsamenhangend, onnauwkeurig en in wetenschappelijk opzicht niet verantwoord geformuleerd'. Psychiaters worden geconsulteerd als iemand herhaaldelijk is veroordeeld wegens dronken rijden. Politie of verzekeraar wil dan weten of aan dat gedrag soms een psychiatrische stoornis ten grondslag ligt.
De Groot noemde dit onderzoeksgegeven 'schokkend'. De NVP gaat zich bezinnen op de vraag of psychiaters zich wel moeten lenen om dergelijke rapportages te vervaardigen. De Groot: 'Het is de vraag of je een verband kunt leggen tussen een psychische stoornis en excessief alcoholgebruik. En als iemand manisch-depressief is of schizofreen, is hij daarmee niet per se arbeidsongeschikt. Wij moeten nagaan op welke vragen wij antwoord kunnen geven. Wat is maatschappelijk verantwoord?' Eind dit jaar komt de NVP met een standpunt.
Een psychiater die een ex-patiënt vroeg om als zijn bodyguard aanwezig te zijn bij het gesprek met een andere patiënt, werd voor zes maanden geschorst. De patiënt werd door de bodyguard in elkaar geslagen, de tuchtrechter verweet de arts dat hij de vertrouwensrelatie met zijn patiënt ernstig had geschaad.
Van de 31 klachten wegens schending van de privacy (informatie aan derden verstrekt zonder toestemming, bijvoorbeeld over een vrouw aan de advocaat van haar man, die wil scheiden) werden er negen gegrond verklaard.
Volgens de onderzoekers heeft het aantal klachten over psychiaters zich 'betrekkelijk gunstig' ontwikkeld, doordat het aantal psychiaters tussen 1989 en 1997 is gestegen van 1115 tot 1678, een toename van 50 procent. De laatste jaren worden steeds meer klachten over artsen ingediend bij het medisch tuchtcollege. Dat geldt over de hele linie. Maar omdat er steeds meer psychiaters komen, is de stijging van de klachten over hen relatief, menen de onderzoekers.
_________________________________________________________
20-1-2009
Verslag rechtszaak HTC omtrent R.S. 20-1-2009, Amsterdam
R.S. verraste ons door toch aanwezig te zijn bij de rechtszaak, terwijl hij had laten vermelden niet aanwezig te zijn.
Verder waren tijdens deze rechtszaak aanwezig: HTC: voorzitter van de rechtszaak, psychiater, internist, internist, huisarts, jurist, jurist. Advocaat van R.S. MdH: Tanja Zondervan en ikzelf.
Met de opening van de rechtszaak komt de voorzitter terug op het dossierpakket dat is verstuurd naar cliënt, advocaat en dat door cliënt is doorgestuurd naar het MDH.
De klacht van het MDH dat dit dossier van ruim honderd pagina’s, waarvan een deel onleesbaar, slechts enkele dagen voor de zitting is aangekomen bij het MDH wordt erkend.
Er zijn fouten gemaakt door het HTC, maar deze kunnen nu niet meer worden teruggedraaid.
De leider geeft het toe, maar benadrukt dat blijven hangen in deze kwestie niet in het belang is van de cliënt. ‘Deze zaak gaat om de cliënt, niet om de advocaat, niet om R.S. en ook niet om MDH’ , zoals hij verwoordde.
De klaagster kan niet aanwezig zijn bij de zitting en heeft hiervoor een bevestigend advies ontvangen en opgestuurd van de huisarts. De cliënt is er lichamelijk niet toe in staat.
Tanja, van het MDH krijgt het woord en verdedigt de positie van de cliënt.
Ze adviseert het college om niet inhoudelijk op het dossier in te gaan, omdat dit niet gelezen kon worden.
Ze vertelt dat stukken in het dossier onleesbaar zijn en laat dat ook aan de leider zien.
Hij vraagt aan de advocaat of deze de problemen herkent. Maar die ontkent dat.
De voorzitter noemt de aanklachten tegen R.S. op:
- het versturen van seksueel overschrijdende teksten op SMS
- het versturen van kaartjes en brieven
- verbaal seksueel overschrijdend gedrag.
- niet onderhouden van dossier ( o.a. medicatie)
In eerste instantie wenst R.S. geen reactie te geven op de aanklachten.
Wanneer hij een 2e kans krijgt hiertoe, geeft hij aan de klacht niet te begrijpen, waarna de leider deze nog eens herhaalt. ‘Begrijpt u deze aanklacht?’
Als reactie geeft R.S.: ‘Ik heb de cliënt nooit aangeraakt. Ze werd verliefd op mij en ik heb haar daarin niet gestimuleerd.’
Leider: ‘Dus mevrouw begon ermee en u hebt het doorbroken?’ R.S.: ‘Ja’
Hij voegt er nog aan toe: ‘Cliënte is door de media-aandacht tot deze klachten gekomen’.
Tanja, van het MDH krijgt ruim de gelegenheid om voor de klaagster te spreken en doet dat ook met verve.
(Dit heb ik niet genoteerd, op haar advies, omdat ze dat zelf al op papier heeft staan; dat komt in ons uiteindelijke verslag te staan)
Ze geeft wel aan dat R.S. zich niet aan de afspraak heeft gehouden door het dossier naar de cliënt te sturen i.p.v. naar het MdH, waarmee hij contact met haar heeft opgenomen. Dit was niet de afspraak.
De reden die R.S. aangeeft waardom het dossier bij de cliënt aankwam en te laat bij het MdH arriveerde was dat hij net enkele dagen later nadat hij het had opgestuurd hoorde dat het naar het MdH moest. Ook had hij niet begrepen hoe urgent het was voor de cliënt.
Hij vertelt dat hij onder zware druk leeft en met veel moeite het dossier bij elkaar heeft kunnen vinden en kopiëren. Het heeft hem heel veel werk gekost.
Advocaat van R.S.: ‘Ik begrijp niets van de aanklacht en ook niet wat het verband is met de eerdere aanklachten tegen R.S., want dit is van een geheel andere orde’ . Het gaat volgens de advocaat niet om dergelijke verwijtbare zaken, maar om persoonlijk contact tussen R.S. en zijn cliënt, een ‘omgangskwestie’ . ‘Er heeft geen enkele vorm van aanraking plaatsgevonden’, aldus de advocaat.
Wanneer Tanja het woord krijgt legt ze uit wat deze ‘omgangskwestie’ bij de cliënt voor gevolgen heeft en wijst er nog eens op dat de cliënt in haar toestand niet in staat is om een dossier als deze te gaan kopiëren en op te sturen, laat staan lezen en zo dus ook niet in staat is om zichzelf te verdedigen.
De voorzitter betwist dit enigszins door te zeggen dat het originele dossier toch ook kon worden opgestuurd naar MdH, waar Tanja weer op ingaat met: ‘dan is het risico te groot dat het zoek raakt’.
De voorzitter sluit de zitting af met: uitspraak volgt op 13 maart 2009
E.Tina J.
6-11-2008
www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/07-213.zwl.pdf
3. DE KLACHT
Klager verwijt verweerder – zakelijk weergegeven – dat verweerder zonder zijn toestemming zijn penis heeft onderzocht, een niet passend onderzoek voor een cardioloog en dat in feite sprake was van ontuchtige handelingen oftewel een aanranding, waardoor zijn vertrouwen in de medische stand is geschaad.
_______________________________________________________
[ terug... ]
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer 2008/257
www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl
van: A. en B., in hun hoedanigheid van inspecteur voor de Gezondheidzorg in de inspectieregio C. en kantoorhoudende te D., appellanten,
tegen E., verpleegkundige, wonende te F., verweerder in hoger beroep en in eerste aanleg, raadsman mr. J. de Haan, advocaat te Alkmaar.
1. Verloop van de procedure
De Stichting K. heeft op 18 oktober 2007 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen E. - hierna te noemen de verpleegkundige - een klacht ingediend. Bij beslissing van 12 augustus 2008, onder nummer 07/307Vp, heeft dat College de verpleegkundige gedeeltelijk de bevoegdheid ontzegd het beroep van verpleegkundige uit te oefenen, in die zin dat hem de bevoegdheid wordt ontzegd om als psychiatrisch verpleegkundige werkzaam te zijn. Voorts heeft dat college publicatie van de beslissing bepaald.
A. en B., in hun hoedanigheid van inspecteur voor de Gezondheidzorg in de inspectieregio C., verder gezamenlijk de Inspectie te noemen, zijn van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De verpleegkundige heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 1 oktober 2009, waar de Inspectie alsmede de verpleegkundige, bijgestaan door mr. De Haan, zijn verschenen.
A. en mr. De Haan hebben de standpunten van partijen bepleit aan de hand van pleitaantekeningen die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“ 2. De feiten.
2 2008/257
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:
Verweerder is op 1 december 2003 bij klaagster (hierna: de Stichting) in dienst getreden als verpleegkundige.
Op 1 maart 2007 vernam de bij klaagster werkzame psychiater G dat namens een ex- patiënte van de Stichting, H., een klacht bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg tegen verweerder was ingediend omdat verweerder een intieme relatie met H. zou hebben onderhouden tijdens en na haar verblijf bij de Stichting.
Op 2 maart 2007 heeft een gesprek daarover plaatsgevonden met verweerder. Verweerder heeft toen erkend H. tweemaal thuis te hebben bezocht en haar te hebben omarmd en gezoend. Hij heeft toen tevens gezegd dat hij niet eerder een intieme relatie met een (ex-) patiënte had gehad.
De Stichting heeft verweerder op 2 maart 2007 voor de duur van een week geschorst.
Op 5 maart 2007 heeft een andere patiënte van verweerder, I., in een gesprek met G verteld dat verweerder een seksuele relatie met haar had gehad. Verweerder had die relatie op 2 maart 2007 plotseling verbroken.
Op 6 maart 2007 vond naar aanleiding van deze nieuwe klacht een gesprek plaats met verweerder. Op 8 maart 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden met I. Zij heeft toen verteld dat de intieme relatie met verweerder in september 2006 was begonnen, dat zij seksuele gemeenschap hadden gehad en dat verweerder haar vele sms-jes had gestuurd en CD’s kado had gegeven.
I had nog 32 sms-jes van verweerder in haar telefoon bewaard. Verweerder heeft haar onder meer de volgende berichten gestuurd:
Goedemorgen lief ben je al wakker? (1 maart 2007);
Hoi lieve schat ik hou van jou hoop dat je gesprek eeen beetje ging. (…). Mis je meer dan ik kan zeggen liefs met heel mijn hart xxx ik (2 februari 2007);
Hoi lief ik heb je hevig wakker geprobeert te kussen helaas lukte het niet helemaal. Ik bel je (…) ik hou van jou liefs en kussen (je kust in je slaap ook heel erg lekker en je lachte ook heel lief) (1 januari 2007).
Bij brief van 12 maart 2007 heeft de Stichting verweerder met onmiddellijke ingang op staande voet ontslagen. Verweerder heeft tegen dit ontslag niet geprotesteerd.
Bij brief van 8 mei 2008 heeft de Stichting aan haar advocaat een verklaring gezonden van nog een andere patiënte van haar instelling, J., waarin deze patiënte
3 2008/257
heeft vermeld dat zij in 2005 tijdens een opname bij de Stichting door verweerder seksueel is misbruikt.
3. Het standpunt van klager en de klacht.
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:
met een ex-patiënte en met twee patiënten een intieme en seksuele relatie heeft onderhouden. Deze (ex-)patiënten waren aan zijn zorg toevertrouwd.
Daarbij heeft de Stichting toegelicht dat zij belang heeft bij het indienen van de klacht, omdat verweerder nog als verpleegkundige ingeschreven is in het register en hij geen blijk heeft gegeven (CTG verwijdert: zich) te beseffen dat gehandeld is in strijd met hetgeen een goed verpleegkundige betaamt. Verder heeft klager erop gewezen dat verweerder weinig of geen inzicht heeft getoond in de gevolgen die zijn handelwijze voor de bewuste patiënten heeft gehad en nog heeft en dat niet is gebleken dat verweerder maatregelen heeft getroffen om in vergelijkbare situaties niet opnieuw te handelen zoals hij heeft gedaan.
4. Het standpunt van verweerder.
Verweerder heeft ter terechtzitting ontkend een intieme of seksuele relatie te hebben gehad met J. Verweerder heeft erkend dat hij een intieme relatie heeft gehad met H en I en dat hij met I ook seksuele gemeenschap heeft gehad. De door H en I gegeven uiteenzetting van de feiten is juist, aldus verweerder.
Verweerder heeft verder aangevoerd dat hij al lang, sedert 1990, in de zorg werkzaam is en dat hij nooit eerder in de fout is gegaan. Hij heeft zich inmiddels onder behandeling gesteld van een psychotherapeut, opdat het hem verweten gedrag in de toekomst kan worden voorkomen. Hij wil graag in de psychiatrische zorg werkzaam blijven.
Voor zover nodig wordt op het verweer hieronder ingegaan.
5. De overwegingen van het college.
De klacht met betrekking tot J is pas betrekkelijk kort voor de terechtzitting namens de Stichting toegevoegd. Nu verweerder ontkent een intieme of seksuele relatie met J te hebben gehad en de overgelegde verklaring van J erg beknopt en weinig concreet is, dient de klacht voorzover betrekking hebbend op J op grond van de thans bekende gegevens ongegrond te worden verklaard.
De klachten met betrekking tot de intieme en seksuele relatie met H en I zijn gegrond, nu verweerder de hem verweten gedragingen heeft erkend.
Verweerder heeft door een intieme en seksuele relatie aan te gaan met een ex-patiënte en met een patiënte van de Stichting in strijd gehandeld met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) had behoren te betrachten.
De seksuele relatie met I is langdurig geweest (zes maanden) en, mede gezien de vele sms-berichten, intensief, waarbij ook sprake is geweest van seksuele gemeenschap. Verweerder heeft het vertrouwen dat in hem als zorgverlener werd gesteld ernstig misbruikt. Dit grensoverschrijdend gedrag wordt hem zwaar aangerekend, met name nu het ging om patiënten met psychische klachten die aan zijn zorg waren toevertrouwd. Het college acht het verwijtbaar dat verweerder nimmer zelf melding heeft gemaakt van het hem verweten gedrag en dat hij zelfs toen hij op 2 maart 2007 werd geconfronteerd met de klachten van H, desgevraagd niet heeft meegedeeld dat er nog een andere patiënte was waarmee hij seksueel contact had.
Verweerder heeft op het moment dat zijn seksuele relatie met I een aanvang nam, de verpleging van I niet gestaakt en heeft aan de Stichting nimmer gemeld dat hij grenzen had overschreden.
Wat betreft de op te leggen maatregel neemt het college in aanmerking de ernst van de klachten en de duur van de (CTG leest: het) verweten gedrag, de omstandigheid dat verweerder misbruik heeft gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen, dat het ging om kwetsbare patiënten met psychische klachten en het feit dat verweerder niet zelf tot het inzicht is gekomen dat hij grenzen had overschreden en het verweten gedrag niet uit eigen beweging aan de Stichting heeft gemeld.
Verweerder heeft ook ter terechtzitting geen inzicht getoond in de oorzaak van het hem verweten gedrag en de schade die dit gedrag bij de slachtoffers heeft veroorzaakt. Verweerder heeft niet of nauwelijks zelfreflectie laten zien. Verweerder heeft het college er voorts niet van kunnen overtuigen dat het hem verweten gedrag in de toekomst niet meer zal voorkomen. Dit baart het college te meer zorgen nu verweerder ter terechtzitting heeft meegedeeld in de psychiatrische zorg werkzaam te willen blijven. Verweerder heeft ter terechtzitting geen aanknopingspunten gegeven op basis waarvan kan worden aangenomen dat de kans dat hij zich weer schuldig zal maken aan het verweten gedrag beperkt of nihil is. Het enkele feit dat verweerder zich onder psychotherapie heeft gesteld is daartoe niet voldoende.
Dit te minder nu uit de brief van de behandelend psychotherapeut niet blijkt van een behandeling gericht op het voorkomen van de verweerder verweten gedragingen.
Gezien het vorenstaande acht het college oplegging van een vergaande maatregel gerechtvaardigd. Daarbij wijst het college er nog op dat wanneer verweerder na verloop van enige jaren kan aantonen dat een adequate behandeling heeft plaatsgevonden op grond waarvan aangenomen kan worden dat het risico van herhaling van het verweten gedrag nihil of verwaarloosbaar is, hij op grond van artikel 50 van de Wet BIG de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan verzoeken in de hem ontzegde bevoegdheid te worden hersteld.
Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.”
Lees verder op:
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/2008.257.pdf
_________________________________________________________
30-12-2009
09117
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE EINDHOVEN
www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl
heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 1 juli 2009 binnengekomen klacht van:
A, Inspecteurs voor de Gezondheidszorg te ’s-Hertogenbosch
klagers
tegen:
B
fysiotherapeut
werkzaam te C
verweerder
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift en de aanvulling daarop
- het verweerschrift
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De klacht is ter openbare zitting van 16 oktober 2009 behandeld. Partijen waren aanwezig, verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. H. Karaca. Klagers hebben pleitnotities overgelegd.
2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende:
Klagers hebben meldingen ontvangen van twee ex-patiëntes van verweerder, inhoudende dat hij seksueel grensoverschrijdend heeft gehandeld. Het betreft een melding van november 2004 (casus 1) en een melding in december 2008 (casus 2).
Casus 1
- 1 -
09117
Patiënte heeft deze klacht in eerste instantie neergelegd bij de commissie van toezicht van de beroepsvereniging van fysiotherapeuten, het KNGF. De commissie van toezicht heeft in haar beslissing van 2 december 2004 de klacht dat verweerder zijn professionaliteit heeft geschonden doordat de behandelrelatie is verworden tot een liefdesrelatie, gegrond verklaard en zij heeft klager opgelegd de maatregel van schorsing van het lidmaatschap voor de duur van een maand, met veroordeling van verweerder in de kosten van de commissie.
Na door verweerder ingesteld beroep heeft de commissie van beroep van de KNGF bij beslissing van 27 april 2005 het beroep verworpen, met bekrachtiging van de beslissing van de commissie van toezicht, met oplegging van de sanctie van een schorsing van het KNGF-lidmaatschap voor de duur van twee maanden, met veroordeling van verweerder in de kosten.
Patiënte kwam op 21 januari 2004, op verwijzing van haar huisarts, voor het eerst onder behandeling van verweerder wegens rugklachten. De behandeling, bestaande uit in totaal 16 behandelingen, heeft tot en met 31 maart 2004 geduurd.
Over hetgeen in de loop van de behandeling heeft plaatsgevonden bestaan verschillende lezingen van patiënte en verweerder. Wel staat als door verweerder erkend vast dat onmiddellijk na de beëindiging van de laatste behandeling een liefdesrelatie heeft bestaan, totdat verweerder deze op 4 mei 2004 heeft beëindigd.
Casus 2
Patiënte kwam bij verweerder met klachten over haar rechter bil en achterzijde rechter been. Zij had ook al jaren stijfheid in het rechter been. In het behandelplan heeft verweerder genoteerd: Blokkade LWK +SIG re + mobilisatie rechter heupgewricht. In het elektronisch dossier heeft hij daaraan toegevoegd: tevens myalgieën lumbale wk en gluteale musculatuur.
Er vonden behandelingen plaats op 5,10, 12 en 14 november 2008 en op 1 en 4 december 2008. De behandelingen op 10 en 12 november zijn niet in het dossier genoteerd. Op 14 november wordt de behandeling uitgebreid met massages van nek en schouders. De laatste twee behandelingen vinden plaats op 1 en 4 december. Verweerder noteert daarover op 1 december dat patiënte aangeeft dat zij nog pijn heeft vanuit de rechter bilspier bij de aanhechting van de tuber ischiadicum rechts, mogelijk een slijmbeursirritatie. Op 4 december maakt hij melding van een frictie van de aanhechting musculatuur bij de tuber ischidiacum rechts. En hij sluit af met: “Patiënt vond de behandeling niet gepast en stopt de behandeling.”.
- 2 -
09117
3. Het standpunt van klagers en de klacht
Casus 1
a) Klagers concluderen na eigen onderzoek dat tijdens de behandeling een affectieve relatie is ontstaan die op enig moment is overgegaan in een seksuele relatie. De patiënte heeft haar gevoelens voor verweerder kenbaar gemaakt tijdens de behandelperiode. Verweerder heeft deze gevoelens niet actief afgewezen, niet bespreekbaar gemaakt en niet overwogen de patiënt door te verwijzen naar een andere fysiotherapeut. Toen de patiënt zich tijdens de behandeling verder ontkleedde dan noodzakelijk was, heeft verweerder dit niet gecorrigeerd.
Verweerder erkent dat een seksuele relatie is ontstaan maar zegt dat het seksueel contact pas na het beëindigen van de behandeling heeft plaatsgevonden. Hij erkent wel dat het seksueel contact plaatsvond in de behandelkamer. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 24.1 van de Modelregeling fysiotherapeut-patiënt doordat hij zich niet heeft onthouden van contacten van seksuele aard en zich niet heeft onthouden van verbale of lijfelijke activiteiten. Ingevolge artikel 39, a, b en c had hij de behandeling moeten overdragen toen andere dan zakelijke gevoelens, zowel bij hem als bij de patiënt, een rol begonnen te spelen.
De inspectie heeft deze casus destijds afgesloten met het advies aan verweerder om in therapie te gaan om te leren zijn professionele grenzen beter te bewaken. Nadat de toenmalige therapeut liet weten de kans op recidive zeer klein te achten, is de inspectie om die reden geen tuchtzaak begonnen.
b) Het behandeldossier is zeer summier en voldoet niet aan de richtlijn.
c) Verweerder heeft in het kader van het hoger beroep bij de commissie van beroep het nodig gevonden om zijn patiënte een psychiatrische diagnose op te plakken (theatrale persoonlijkheidsstoornis). Daarmee heeft hij gehandeld in strijd met gedragsregel 17, waarin is vermeld dat een therapeut zich moet onthouden van uitspraken die buiten zijn deskundigheid liggen. Ook heeft hij zich hiermede onnodig grievend uitgelaten.
Casus 2
a) De patiënte is van mening dat verweerder haar onzedelijk heeft betast. Verweerder ontkent dit. Wel staat vast dat klaagster de aanraking als grensoverschrijdend heeft ervaren. Er is van de zijde van verweerder weinig informatie. Verweerder verwijst naar het verslag; daarin wordt de beenmassage, waarbij de patiënte het grensoverschrijdend handelen heeft ervaren, niet genoemd. Desgevraagd erkent verweerder dat een beenmassage heeft plaatsgevonden.
b) Patiënte kwam met een hulpvraag voor bil- en beenklachten. Op initiatief van verweerder werd de behandeling uitgebreid naar rug- en nekmassage. Deze uitbreiding wordt niet
- 3 -
09117
gesteund door onderzoeksgegevens of aantekeningen in het dossier. Niet gebleken is dat de patiënt heeft gevraagd ook die regio’s te behandelen.
d) de uitbreiding van de behandeling is niet uitgelegd aan patiënte. Ook zegt verweerder dat hij gedurende de behandeling fricties heeft gegeven op de tuber ischiadicum. Mogelijk zijn deze volgens verweerder verkeerd geïnterpreteerd en heeft zij ze als al te intiem ervaren. Klagers menen dat zodoende de behandeling onvoldoende is uitgelegd.
e) Er is onvoldoende dossiervoering, terwijl toch in casus 1 verweerder door de commissie van toezicht, door de beroepscommissie en door de inspectie erop is gewezen dat zijn dossiervoering onvoldoende is.
f) Verweerder laat zich ook in deze casus onprofessioneel uit jegens zijn patiënte. Verweerder lijkt onvoldoende te beseffen waar hij een grens dient te trekken. Hij betwist dat hij heeft gesproken over mooie billen; waarschijnlijk heeft hij gesproken over goedgevormde billen; hij vindt het niet ongepast een compliment te maken indien iemand zich onzeker voelt.
Resumerend luidt de klacht:
1. Verweerder is een seksuele relatie aangegaan met een patiënte (casus 1).
2. Verweerder heeft zich niet onthouden van verbale en/of seksuele intimiteiten in beide casus.
3. Verweerder heeft zich niet onthouden van uitspraken die buiten zijn deskundigheid liggen.
4. Verweerder toont onvoldoende respect in verbaal gedrag en handeling voor de patiënten in beide casus. Er is sprake van onprofessionele bejegening van de patiënten in beide casus.
5. Verweerder heeft onprofessioneel gehandeld door de behandeling onvoldoende op de hulpvraag en het onderzoek af te stemmen.
6. Verweerder heeft onvoldoende informed consent verkregen in de tweede casus.
7. Verweerder heeft onvoldoende dossiervoering toegepast in beide casus.
4. Het standpunt van verweerder
Ad casus 1
Verweerder heeft in casus 1 een liefdesrelatie gehad kort na de behandelperiode, met beider goedvinden. Verweerder is hiervoor reeds gestraft. Er is geen enkele relatie met casus 2.
Ad casus 2
Volgens verweerder is zijn verslaglegging volledig geweest. De patiënte is behandeld volgens de regels.
Ter zitting heeft verweerder nog het volgende aangevoerd.
- 4 -
09117
Casus 1 heeft verweerder zijn huwelijk al gekost; het heeft hem twee jaar van zijn leven gekost. Er zijn ook al sancties opgelegd.
Verweerder stelt dat hij tijdens de behandeling geen fout heeft gemaakt en geen misbruik heeft gemaakt. Tijdens de behandeling waren er geen aanwijzingen als genoemd in de code dat hij had moeten stoppen met de behandeling.
Verweerder is 30 jaar fysiotherapeut. Het is een keer fout gegaan, in casus 2. Verweerder heeft in zijn ogen gedaan wat hij had moeten doen, maar de patiënte heeft het als ongepast ervaren. Verweerder heeft er met patiënte niet over gesproken vanwege de ervaring met casus 1. Hij kan zich voorstellen dat zij een behandeling rond het zitbeen ongepast vond; je zit heel dicht bij de schaamstreek. Hij heeft tevoren uitgelegd wat hij ging doen. Verweerder heeft casus 2 besproken met een collega in de buitenpraktijk, nadat hij was opgeroepen door de inspectie.
Lees verder op:
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/2009.117.ehv.pdf
___________________________________________________________
30-12-2009
08/354VP
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE AMSTERDAM
www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl
Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 9 december 2008 binnengekomen klacht van:
A,
gevestigd te B,
vertegenwoordigd door C, voorzitter van de raad van bestuur,
k l a a g s t e r,
tegen
D,
verpleegkundige,
wonende te B,
destijds werkzaam te B,
v e r w e e r d e r.
1. Het verloop van de procedure.
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van de zitting van 10 februari 2009, waarbij de zaak is aange-houden;
- het antwoord met de bijlagen;
- de repliek;
- de dupliek;
- het proces-verbaal van het op 17 augustus 2009 gehouden vooronderzoek;
- de aanvullende stukken, toegezonden door klaagster en binnengekomen op 10 september 2009.
De klacht is ter openbare terechtzitting van 22 september 2009 behandeld.
Partijen waren aanwezig, waarbij klaagster werd vertegenwoordigd door E, waarne-mend geneesheer-directeur en psychiater.
1
08/354VP
2. De feiten.
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan:
Klaagster exploiteert een instelling op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg op diverse locaties, waaronder F en G in B. Verweerder is in 1993 bij klaagster (hierna: de Stichting) in dienst getreden als psychiatrisch verpleegkundige. In 2003 heeft verweer-der een locatieverbod voor de locatie G gekregen. Nadien is verweerder enige tijd extra begeleid in het bewaken van een professionele afstand tot patiënten.
In december 2006 is patiënte L.S. overgeplaatst naar locatie F. Als reden van overplaat-sing werd vermeld dat patiënte stalkingsgedrag vertoonde naar haar psychiater, op wie zij verliefd zou zijn. In F zijn afspraken gemaakt omtrent de bejegening van L.S., waar-onder dat zij voornamelijk door vrouwen behandeld zou worden en er zijn strikte regels over haar benadering afgesproken, die als kenmerk hebben haar gedrag te begrenzen. Verweerder was het met deze benadering niet eens. Hij was van mening dat patiënte juist wél meer aandacht moest krijgen.
Sedert kerst 2006 is er een intieme relatie ontstaan tussen verweerder en L.S. die tot februari/maart 2009 heeft voortgeduurd. In de periode dat zij op de klinische locatie F was opgenomen, vanaf kerst 2006 tot begin oktober 2007, verbleef verweerder gedu-rende veel van zijn diensten één of anderhalf uur met haar, veelal op haar kamer met afgesloten deur. L.S. is een aantal keren bij hem thuis geweest.
De afdelingsmanager, mevrouw H, heeft op 5 maart en 5 juni 2007 gesprekken met verweerder gevoerd, onder meer over het bewaken van grenzen in het contact met cliën-ten. Haar waarnemer I heeft op 26 oktober 2007 met verweerder besproken dat hij het contact met L.S. moest staken. Verweerder ontkende toen dat in zijn contacten met L.S. sprake zou zijn van seksueel gedrag.
Naar aanleiding van de afspraken gemaakt in laatstgenoemd gesprek heeft verweerder op 1 november 2007 aan L.S. te kennen gegeven dat hij de relatie moest beëindigen.
2
08/354VP
Kort hierna heeft L.S. haar begeleider verteld dat tijdens de contacten met verweerder ook sprake was van een seksuele relatie.
Op 2 november 2007 heeft I, voornoemd, samen met E, afdelingspsychiater, wederom een gesprek met verweerder gevoerd, waarin hem is meegedeeld dat hij per direct werd geschorst in zijn werkzaamheden. Verweerder gaf daarin aan dat hij verliefd was op L.S.; hij ontkende dat er sprake was van een seksuele relatie. Ten slotte heeft naar aan-leiding van de schorsing op 13 november 2007 een gesprek plaatsgevonden met H, J, sr adviseur po&o, verweerder en K. Ook toen ontkende verweerder dat sprake was van seksueel contact; wel betuigde hij spijt dat hij geen initiatief heeft ondernomen de rela-tie te bespreken met bijvoorbeeld zijn leidinggevende.
Op 21 februari 2008 heeft de Stichting de kwestie bij de Inspectie voor de Gezond-heidszorg (IGZ) gemeld.
De Stichting heeft in maart 2008 een onderzoekscommissie verzocht een onderzoek te doen naar onder meer de feiten rond de wijze van het uitvoeren van verweerders hulp-verleningstaken. Op de vraag in welke mate verweerder zijn beroepscode heeft over-schreden, heeft de commissie in haar rapport van juli 2008 onder meer geconcludeerd:
- ‘’De commissie vindt het zorgwekkend dat de relatie nog steeds voortduurt....De heer D geeft aan de relatie niet te willen afbreken om L.S. niet het gevoel te geven dat zij misbruikt is. De commissie acht deze zienswijze onbegrijpelijk......
Op basis van het bovenstaande is de conclusie gerechtvaardigd dat de heer D de gedragscode heeft overschreden in de re-latie met L.S.
Dit is hem te verwijten omdat:
- hij willens en wetens handelde (hij was goed op de hoogte van de gedragscode),
- als professional (goed geïnformeerd) hij L.S. zoekt en treft in de kern van haar vastgestelde diagnose,
- hij herhaaldelijk zijn relatie met L.S......ontkent, in ieder geval tegen de leidinggevenden.
- hij niet overtuigd is van de waarde van de gedragscode en nog steeds niet bereid is die op te volgen.
Op de vraag of de instelling gedaan heeft wat ze moest doen volgens haar eigen beleid heeft de commissie als volgt gerapporteerd:
- “De commissie vindt het zorgwekkend dat niet eerder is ingegrepen in het gedrag van de heer D. Zoveel
signalen kunnen niet genegeerd worden.”....
De arbeidsovereenkomst van verweerder met de Stichting is in onderling overleg per 1 april 2008 beëindigd.
Thans volgt verweerder een opleiding tot onderwijzer (PABO).
3
08/354VP
3. Het standpunt van klaagster en de klacht.
De klacht, zoals nader geformuleerd ter zitting, houdt -zakelijk weergegeven- in dat verweerder een intieme relatie met een cliënte is aangegaan en heeft onderhouden in een periode dat hij als verpleegkundige een beroepsmatige hulpverleningsrelatie met haar had binnen een klinische vestiging van de instelling. Deze relatie hield tevens een sek-suele relatie in. De relatie duurde in juli 2008 nog voort.
Klaagster is van mening dat sprake is van een gerede kans op recidive.
4. Het standpunt van verweerder.
Verweerder heeft aangevoerd dat er zich met grote regelmaat incidenten voordeden met L.S.. Het team gaf hem dan de ruimte om met L.S. te spreken en haar tot rust te bren-gen, omdat verweerder met zijn interventies een goede invloed op patiënte had.
Verweerder ziet in dat hij niet juist heeft gehandeld, maar is van mening dat de Stich-ting ten onrechte niet eerder heeft ingegrepen, terwijl men wel op de hoogte was of kon zijn van zijn intensieve contact met L.S. Volgens hem is het onderzoek door de onder-zoekscommissie niet volledig geweest. Hij wijst erop dat het contact dat hij met L.S. had ook een positief effect op haar had.
Nadat de Stichting hem had geschorst heeft hij contact met L.S. gehouden omdat hij de relatie wilde beëindigen op een voor haar begrijpelijke en niet schadelijke wijze.
5. De overwegingen van het college.
De klacht met betrekking tot de intieme relatie van seksuele aard met L.S. is gegrond, nu verweerder de hem verweten gedragingen heeft erkend. Verweerder heeft door een intieme en seksuele relatie aan te gaan met een patiënte van de Stichting in strijd gehan-deld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) had behoren te betrachten.
De relatie is langdurig geweest en heeft plaatsgevonden zowel in als buiten de instel-ling. De relatie is gedurende de opname van patiënte op F intensief geweest en het con-tact heeft nog lange tijd voortgeduurd, ook nadat de Stichting verweerder had verboden nog contact met patiënte te hebben en vervolgens in aansluiting op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Lees verder op:
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/08354vp.asd.pdf
13-10-2009
Tuchtrecht.nl in de lucht
www.refdag.nl
DEN HAAG (ANP) – Uitspraken van tuchtrechters zijn vanaf woensdag in te zien op één internetsite, www.tuchtrecht.nl. Veel tuchtcolleges voor bijvoorbeeld advocaten, gerechtsdeurwaarders, artsen en notarissen publiceerden hun uitspraken tot voor kort alleen via vakbladen.
Op de website krijgen de uitspraken een uniek nummer waardoor ze makkelijker zijn te vinden. De centrale website is een gezamenlijk initiatief van het ministerie van Justitie, het ministerie van Binnenlandse Zaken en de Raad voor de rechtspraak.
Volgens het kabinet bevordert de doorzichtigheid van tuchtrechtelijke uitspraken het vertrouwen van mensen en versterkt het de positie van klagers. Ook moet er van publicatie op internet een preventieve werking uitgaan voor beroepsgenoten.
Een tuchtrechter kan een waarschuwing of berisping uitdelen of iemand schorsen of uit het ambt zetten. Veel ’gewone’ uitspraken van rechters worden al jaren op internet gezet.
__________________________________________________________
http://www.xs4all.nl/~advocare/folder55.htm
Bovenstaande link verwijst naar een internetpagina met uitgebreide informatie over het medisch tuchtrecht.
Wanneer de link niet werkt, kopieer deze dan en plaats het in de zoekbalk van de zoekmachine van internet.
__________________________________________________________
16-6-2009
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/p0801p.pdf
Echt verbijsterd was ik toen ik bovenstaand verslag van het Tuchtcollege las. Wil je eens lezen hoe het echt op alle fronten mis kan gaan bij hulpverlenen in relatie met cliënt, lees dit dan vooral.
__________________________________________________________
16-6-2009
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/Images/Jaarverslag%202008_tcm37-29660.pdf
Hierboven een link ( te copiëren) voor het jaarverslag van het Medisch Tuchtcollege 2008 op PDF- bestand
_________________________________________________________
24-3-2009
Rep. nr. GP2008/01
GOG door gezondheidszorgpsycholoog
6 maanden uitschrijving BIG-register&verplicht tot 50 uren supervisie
_____________________________________________________
17-3-2009
Uitspraak RTC Amsterdam zaak RS:
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/08096.asd.pdf
_________________________________________________________
5-3-2009
uitspraak:
Vrijspraak voor therapeute die relatie had met tbs’er
http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BH4852&u_ljn=BH4852
__________________________________________________________
19-2-2009
Uitspraak Tuchtcollege in verband met ontucht SPV-er uit Eindhoven.
http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/2008.211.pdf
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer 2008/211 van: A., verpleegkundige, wonende te B., appellant, verweerder in eerste aanleg,gemachtigde mr.drs. A.H.J. de Kort, advocaat te
Sint Michielsgestel,
tegen C., wonende te D., verweerster in hoger beroep, klaagster in eerste aanleg, raadsvrouw mr. A.B. Noordhof, verbonden aan ARAG Rechtsbijstand.
1. Verloop van de procedure C. - hierna te noemen klaagster - heeft op 8 januari 2008 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen verpleegkundige A. - hierna te noemen de verpleegkundige - een klacht ingediend. Bij beslissing van 18 juni 2008, onder nummer 0802, heeft dat College de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en aan de verpleegkundige de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register opgelegd met bij wijze van voorlopige voorziening schorsing van die inschrijving.
De verpleegkundige is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 11 december 2008, waar zijn verschenen E., echtgenoot van klaagster, bijgestaan door mr. A.B. Noordhof, en de verpleegkundige, bijgestaan door mr. drs. A.H.J. de Kort. Klaagster is niet ter terechtzitting aanwezig. De raadslieden hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1. De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden, zakelijk weergegeven het volgende in.
3. Het standpunt van klaagster en de klacht
Klaagster verwijt verweerder dat hij heeft geëxperimenteerd met een DIS-patiënte en haar seksueel heeft misbruikt.
Zij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - nog het navolgende aangevoerd. De begeleiding door verweerder na december 2005 was zeer intensief. Verweerder was 7 dagen per week 24 uur per dag voor klaagster bereikbaar. De contacten zijn te kwalificeren als begeleiding en behandeling van een psychiatrisch patiënte en niet als vriendendienst. De wekelijkse sessies bij verweerder waren behoorlijk heftig. Klaagster kreeg veel last van dissociaties en raakte zodanig geëmotioneerd dat zij niet meer in staat was zelf naar huis terug te rijden. In de thuissituatie leidde dit regelmatig tot crisissituaties. De seksuele handelingen van verweerder met klaagster zijn absoluut laakbaar en tuchtrechtelijk verwijtbaar. Bovendien zijn zij in strijd met de Beroepscode voor sociaal psychiatrisch verpleegkundigen. Toen klaagster in september 2007 aan haar galblaas werd geopereerd, werd zij ook door verweerder - met uitsluiting van haar echtgenoot - vóór, tijdens en na de operatie begeleid.
Deze affaire heeft dramatische gevolgen gehad voor klaagster, haar echtgenoot en haar gezin. De klachten welke klaagster had, zijn in alle hevigheid toegenomen en geëscaleerd. Klaagster is thans opgenomen.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft - kort en zakelijk weergegeven - het volgende betoogd.
Het contact in december 2005 is niet begonnen als behandeling. Verweerder wilde er als ‘oud hulpverlener’ niet echt bij betrokken raken, maar er was geen houden aan. Klaagster wilde het contact met hem behouden; haar thuissituatie leverde haar angst op en zij leefde met haar gezin van crisis naar crisis. Verweerder en klaagster hebben er samen veel energie in gestoken om verweerder te transformeren van oud hulpverlener naar vriend, hetgeen gelukt is. Uit de vriendschap groeide een seksuele relatie. Verweerder heeft zich geen moment gerealiseerd dat hij door klaagster bij de operatie te begeleiden weer haar hulpverlener was. Het verwijt met een DIS patiënte te hebben geëxperimenteerd is niet juist. Het contact is altijd open, eerlijk en veilig geweest. Verweerder kreeg in dat contact ook met de binnenwereld van klaagster te maken. Hij is daar altijd met de grootst mogelijke zorgvuldigheid mee omgegaan. Verweerder beseft nu dat hij alle professionaliteit met zijn vriendschap heeft ingeleverd en verdwaald is geraakt in persoonlijke gevoelens. De aanklacht seksueel misbruik raakt hem diep; de realiteit is dat er een relatie is ontstaan en hij zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen. Hij erkent de gedragscode te hebben
overschreden.
Verweerder, meer dan 35 jaar werkzaam in de psychiatrie, is ontheven uit zijn functie en heeft nog geen andere. Hij was van plan een praktijk voor psychosociale hulp op te zetten. Door deze situatie is verweerder echter onzeker geworden.”
__________________________________________________________
10-2-2009
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer 2008/211 van:
A., verpleegkundige, wonende te B., appellant, verweerder in eerste aanleg,gemachtigde mr.drs. A.H.J. de Kort, advocaat te
Sint Michielsgestel,
tegen
C., wonende te D., verweerster in hoger beroep, klaagster in eerste aanleg, raadsvrouw mr. A.B. Noordhof, verbonden aan ARAG Rechtsbijstand.
1. Verloop van de procedure
C. - hierna te noemen klaagster - heeft op 8 januari 2008 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen verpleegkundige A. - hierna te noemen de verpleegkundige - een klacht ingediend. Bij beslissing van 18 juni 2008, onder nummer 0802, heeft dat College de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en aan de verpleegkundige de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register opgelegd met bij wijze van voorlopige voorziening schorsing van die inschrijving.
De verpleegkundige is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 11 december 2008, waar zijn verschenen E., echtgenoot van klaagster, bijgestaan door mr. A.B. Noordhof, en de verpleegkundige, bijgestaan door mr. drs. A.H.J. de Kort. Klaagster is niet ter terechtzitting aanwezig. De raadslieden hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1. De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden, zakelijk weergegeven het volgende in.
“ 3. Het standpunt van klaagster en de klacht
Klaagster verwijt verweerder dat hij heeft geëxperimenteerd met een DIS-patiënte en haar seksueel heeft misbruikt. 2008/211 2 op en zij leefde met haar gezin van crisis naar crisis. Verweerder en klaagster hebben er samen veel energie in gestoken om verweerder te transformeren van oud hulpverlener naar vriend, hetgeen gelukt is. Uit de vriendschap groeide een seksuele relatie. Verweerder heeft zich geen moment gerealiseerd dat hij door klaagster bij de operatie te begeleiden weer haar hulpverlener was. Het verwijt met een DIS patiënte te hebben geëxperimenteerd is niet juist. Het contact is altijd open, eerlijk en veilig geweest. Verweerder kreeg in dat contact ook met de binnenwereld van klaagster te maken. Hij is daar altijd met de grootst mogelijke zorgvuldigheid mee omgegaan. Verweerder beseft nu dat hij alle professionaliteit met zijn vriendschap heeft ingeleverd en verdwaald is geraakt in persoonlijke gevoelens. De aanklacht seksueel misbruik raakt hem diep; de realiteit is dat er een relatie is ontstaan en hij zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen. Hij erkent de gedragscode te hebben 2008/211 3 overschreden.
Verweerder, meer dan 35 jaar werkzaam in de psychiatrie, is ontheven uit zijn functie en heeft nog geen andere. Hij was van plan een praktijk voor psychosociale hulp op te zetten. Door deze situatie is verweerder echter onzeker geworden.”
2.2. Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
“ 5. De overwegingen van het college
Het collegeis van oordeel dat niet is gebleken dat er sprake is geweest van experimenteren met een DIS patiënte. In de stukken noch in de verklaring van de getuige is daarvoor enig aanknopingspunt te vinden.
Het optreden van verweerder sedert december 2005 kan volgens het college al snel niet meer als vriendendienst worden gekwalificeerd. Het wekelijkse bezoek, het intensieve contact en uiteindelijk de begeleiding bij de operatie duiden op een hulpverlenersrelatie.
In die relatie is verweerder duidelijk over de schreef gegaan door een seksuele relatie aan te gaan. Verweerder heeft zijn professionaliteit verloren door zijn persoonlijke gevoelens.
Vast staat dat verweerder daarmee heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende beroepscode.
De klacht is dan ook gedeeltelijk gegrond.
Het college tilt zwaar aan het feit dat verweerder met klaagster een seksuele relatie is aangegaan en deze niet eigener beweging - op korte termijn - heeft beëindigd. Verweerder heeft weliswaar aangegeven dat hij spijt van het gebeuren heeft, maar het college kan zich niet aan de indruk onttrekken dat die spijt meer gericht is op de voor hem zelf opgetreden gevolgen dan op de voor klaagster ontstane situatie, nu verweerder heeft aangegeven van mening te zijn dat klaagster zich wel bevond bij die relatie. De vraag is of verweerder wel heeft onderkend dat klaagster in die relatie steeds meer afhankelijk werd van hem.
Gelet op het vorenoverwogene en op het feit dat verweerder het college niet heeftkunnen overtuigen dat te dezen geen sprake is van recidivegevaar, is het college van oordeel dat verweerder niet meer in de gelegenheid moet worden gesteld zijn werk als verpleegkundige uit te oefenen. Dit brengt mede dat als maatregel doorhaling van de inschrijving in het register zal worden opgelegd.
Omdat zulks eerst kan geschieden wanneer de onderhavige beslissing onherroepelijk is geworden, zal bij wijze van voorlopige voorziening conform het bepaalde in
artikel 48 lid 8 van de Wet BIG - nu het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg zulks vordert - de schorsing van de inschrijving worden opgelegd.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
- Klaagster is in de periode tussen mei 2002 en maart 2004 een aantal malen, in totaal gedurende ongeveer zeventien maanden, opgenomen geweest op de PAAZ van het F. te G. ( verder: MMC). Vanaf maart 2004 tot ongeveer mei 2005 is zij daar poliklinisch behandeld.
- De verpleegkundige is sinds 1971 werkzaam in de psychiatrie, sinds 1977 als sociaal-psychiatrisch verpleegkundige. In de periode dat klaagster klinisch en poliklinisch werd behandeld in het F. was de verpleegkundige daar in laatstgenoemde hoedanigheid werkzaam en nauw betrokken bij haar behandeling. De verpleegkundige heeft klaagster in mei/juni 2005 begeleid bij de overname van haar behandeling door de GGZ G..
- In december 2005 heeft klaagster contact gezocht met de verpleegkundige. Zij stuurde hem een kaart met de mededeling dat van de beloofde behandeling door GGZ G. nog niets terecht was gekomen en dat er met haar spv-er geen ‘klik’ was. - Hierop volgde een periode waarin klaagster en de verpleegkundige elkaar zeer frequent en op het laatst vrijwel dagelijks mailden en/of opbelden en/of smsten. Na enige tijd bezocht klaagster de verpleegkundige ook wekelijks thuis. Dit contact vond plaats in een praktijkruimte, bestemd voor een na zijn pensionering op te zetten praktijk voor psycho sociale hulp. In de eerste helft van het jaar 2007 hebben klaagster en de verpleegkundige elkaar wederzijds met partners bezocht.
- In het voorjaar 2007 kreeg het contact tussen klaagster en de verpleegkundige fysieke aspecten in de vorm van knuffels en rond mei/juni 2007 was er sprake van een eerste seksueel contact. - Hierop volgde een periode waarin klaagster en de verpleegkundige elkaar zeer frequent en op het laatst vrijwel dagelijks mailden en/of opbelden en/of smsten. Na enige tijd bezocht klaagster de verpleegkundige ook wekelijks thuis. Dit contact vond plaats in een praktijkruimte, bestemd voor een na zijn pensionering op te zetten praktijk voor psycho sociale hulp. In de eerste helft van het jaar 2007 hebben klaagster en de verpleegkundige elkaar wederzijds met partners bezocht.
- In het voorjaar 2007 kreeg het contact tussen klaagster en de verpleegkundige fysieke aspecten in de vorm van knuffels en rond mei/juni 2007 was er sprake van een eerste seksueel contact.
In september 2007 heeft de verpleegkundige klaagster begeleid toen zij in het F. een galblaasoperatie moest ondergaan.
- Dat er sprake was van een seksuele relatie tussen klaagster en de verpleegkundige ontdekte klaagsters echtgenoot medio oktober 2007 toen hij een mail van de verpleegkundige aan klaagster onderschepte. Hierna is het contact tussen klaagster en de verpleegkundige beëindigd.
- De verpleegkundige is nadat hij zijn werkgever van het gebeuren op de hoogte had gebracht per direct uit zijn functie ontheven.
- In de Beroepscode voor sociaal psychiatrische verpleegkundigen is - onder andere - het volgende opgenomen:
[…]
• Zowel tijdens als na afloop van een behandeling dient de SPV zich te onthouden van gedrag waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat hierdoor het vertrouwen in het beroep wordt geschaad.
[…]
• Het is de SPV verboden gedurende de looptijd van de hulpverlening en na afloop hiervan zolang er sprake zou kunnen zijn van enige afhankelijkheid tussen de SPV en de cliënt, een andere relatie met de cliënt te hebben dan een hulpverleningsrelatie, hetgeen onder meer het verbod inhoudt dat de cliënt en/of SPV deze relatie als seksueel van aard zal ervaren, zoals seksueel getinte opmerkingen alsmede het aanraken van genitaliën of andere lichaamsdelen die normaliter met seksualiteit geassocieerd worden.
4. Procedure in hoger beroep
4.1. Het gaat in deze procedure - kort samengevat - om het volgende.
In eerste aanleg heeft klaagster de verpleegkundige verweten a) dat hij met een DIS (dissociatieve identiteitsstoornis) -patiënte heeft geëxperimenteerd en b) dat hij haar meerdere keren seksueel heeft misbruikt. Het onder a) vermelde verwijt heeft het Regionaal Tuchtcollege niet gegrond geacht en van dit oordeel is geen beroep ingesteld. De vraag of de verpleegkundige heeft geëxperimenteerd met een DIS patiënte maakt geen deel uit van het debat in hoger beroep.
Van het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht dat de verpleegkundige 2008/211 6
De verpleegkundige geeft aan dat hij het klachtwaardige van zijn handelen toen niet heeft ingezien en dat er in zijn optiek louter sprake was van een wederzijdse liefdesrelatie. Inmiddels heeft hij spijt van zijn handelen. Hij is gaan inzien dat er in bepaalde mate sprake was van afhankelijkheid van klaagster. De verpleegkundige betwist dat er gevaar is voor recidive, zoals het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen. Volgens de verpleegkundige wordt hij door de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register onevenredig zwaar getroffen. Hij heeft zijn vaste betrekking inmiddels verloren en een doorhaling van de inschrijving in het register betekent dat hij niet meer als verpleegkundige werkzaam kan zijn.
4.2. Klaagster heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping ervan.
4.3. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de vraag waarmee klaagster de verpleegkundige in december 2005 heeft benaderd gezien moet worden als een vraag om hulp en steun aan een voormalige hulpverlener omdat de beoogde vervolg- behandeling vanuit de GGZG. niet goed op gang kwam. Het had op de weg van de verpleegkundige gelegen zich in reactie op de vraag van klaagster professioneel en terughoudend op te stellen. Hij had er mee kunnen volstaan aan te bieden haar hulpvraag in te brengen binnen de setting waar zij eerder was behandeld en waar hij werkzaam was, te weten PAAZ van het F.. Zonder echter zijn team te informeren en/of een supervisor te consulteren is de verpleegkundige zelf met de hulpvraag van klaagster aan de slag gegaan. Er ontstond een zeer intensief contact en aangenomen 2008/211 7
moet worden dat klaagster meer en meer afhankelijk werd van zijn hulp en steun. De contacten met klaagster hebben uiteindelijk geleid tot een verwarrende situatie waarin hulpverlening met vriendschap en affectie verstrengeld raakte, en uitmondde in een seksuele relatie met wel degelijk elementen van hulpverlening. Het Centraal Tucht- college volgt de verpleegkundige niet in zijn stelling dat de professionele relatie met klaagster na haar ontslag uit het F. was verbroken. De verpleegkundige heeft de hulpverlening weer opgepakt en in een ander kader voortgezet.
4.4. Het aangaan van een seksuele relatie met iemand die zich aan zijn zorg en hulp heeft toevertrouwd is vanwege diens afhankelijke positie voor een hulpverlener te allen tijde volstrekt ontoelaatbaar gelet op de afhankelijkheid die in de relatie tussen hulpverlener en de ontvanger van hulp altijd bestaat. Voorts is het ook strijdig met de onder de feiten geciteerde bepalingen uit de Beroepscode. Van een hulpverlener mag worden verwacht dat hij zijn gevoelens en driften in bedwang houdt. Dat geldt temeer in deze situatie. De voor hem uit het verleden bekende psychiatrische problematiek van klaagster had de verpleegkundige moeten doen beseffen dat zo’n gecompliceerde relatie schadelijk voor klaagster zou kunnen zijn. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het handelen van de verpleegkundige onverenigbaar is met een inschrijving in het register en dat hier alleen de zwaarste maatregel, te weten doorhaling van die inschrijving, passend is. De vraag of er een kans op recidive bestaat zoals het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen kan in het licht van het voorgaande onbeantwoord blijven. Het voorgaande betekent dat het beroep wordt verworpen.
4.5. Het Centraal Tuchtcollege vindt aanleiding te bepalen dat deze beslissing ter publicatie wordt aangeboden.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheids- recht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Bijzijn, TVZ en Verpleegkunde en Nursing met verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. R.A. Torrenga, voorzitter, 2008/211 8
mrs. M. Wigleven en J.M.T. van der Hoeven-Oud, leden-juristen en S.R. Doop en
drs. D.A. Polhuis, leden-beroepsgenoten en mr. C.M.J. Wuisman-Jansen, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 10 februari 2009, door mr. A.D.R.M. Boumans, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Voorzitter w.g.
Secretaris w.g.
Het Centraal Tuchtcollege
__________________________________________________________
Tuchtcollege krijgt steeds vaker klachten over artsen Psychiaters na misbruik voor het leven geschorst
ONDERZOEK, JET BRUINSMA
Gepubliceerd op 04 april 1998 00:00, bijgewerkt op 16 januari 2009 11:48
www.volkskrant.nl
Zes psychiaters zijn tussen 1989 en 1997 voor het leven uit hun beroep gezet, omdat zij patiënten seksueel hadden misbruikt. In enkele gevallen verwekte een psychiater een kind bij zijn patiënte. In totaal kregen acht psychiaters een levenslange ontzegging om hun beroep uit te oefenen.
Van onze verslaggeefster
Jet Bruinsma
DEN HAAG
Dit blijkt een onderzoek van alle 493 tuchtrechtuitspraken over psychiaters in de periode 1989-1997. Gisteren presenteerden de onderzoekers - de Nijmeegse hoogleraar gezondheidsrecht prof. dr. J. Hubben en mr M. Heineman - hun rapport.
Volgens de onderzoekers, die soortgelijk onderzoek hebben verricht bij huisartsen en andere specialisten, is het percentage gegrond verklaarde klachten bij psychiaters (82) niet hoger dan bij anderen: 19 procent. Maar de psychiaters kregen wel vaker een levenslang verbod om hun beroep uit te oefenen. In een vergelijkbare onderzoeksperiode kregen slechts drie huisartsen een levenslange ontzegging en slechts één chirurg. Zeven psychiaters werden wegens seksueel misbruik voor vier maanden geschorst.
Het aantal 'artsen zonder grenzen' - zoals psychiaters die hun patiënten misbruiken, door verzekeraars worden genoemd - is de laatste jaren wel teruggelopen, blijkens het aantal klachten. Dat komt door de strengere opstelling van de medische tuchtcolleges, zeggen de onderzoekers. Volgens voorzitter P. de Groot van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVP) is de risicogroep, die steeds kleiner wordt, bekend. 'Ze zijn van middelbare leeftijd en verkeren vaak in een midlife-crisis; ze vertonen burn-out-verschijnselen, en ze zijn allemaal in de jaren zestig opgeleid.'
De onderzoekers constateren dat psychiaters slecht in staat blijken om een oordeel te geven over rijvaardigheid. Van de 20 klachten die daarover werden ingediend zijn er 14 (70 procent) gegrond verklaard. Volgens de tuchtcolleges is de psychiatrische rapportage vaak 'gebrekkig'.
De rapporten worden gekenschetst als 'onsamenhangend, onnauwkeurig en in wetenschappelijk opzicht niet verantwoord geformuleerd'. Psychiaters worden geconsulteerd als iemand herhaaldelijk is veroordeeld wegens dronken rijden. Politie of verzekeraar wil dan weten of aan dat gedrag soms een psychiatrische stoornis ten grondslag ligt.
De Groot noemde dit onderzoeksgegeven 'schokkend'. De NVP gaat zich bezinnen op de vraag of psychiaters zich wel moeten lenen om dergelijke rapportages te vervaardigen. De Groot: 'Het is de vraag of je een verband kunt leggen tussen een psychische stoornis en excessief alcoholgebruik. En als iemand manisch-depressief is of schizofreen, is hij daarmee niet per se arbeidsongeschikt. Wij moeten nagaan op welke vragen wij antwoord kunnen geven. Wat is maatschappelijk verantwoord?' Eind dit jaar komt de NVP met een standpunt.
Een psychiater die een ex-patiënt vroeg om als zijn bodyguard aanwezig te zijn bij het gesprek met een andere patiënt, werd voor zes maanden geschorst. De patiënt werd door de bodyguard in elkaar geslagen, de tuchtrechter verweet de arts dat hij de vertrouwensrelatie met zijn patiënt ernstig had geschaad.
Van de 31 klachten wegens schending van de privacy (informatie aan derden verstrekt zonder toestemming, bijvoorbeeld over een vrouw aan de advocaat van haar man, die wil scheiden) werden er negen gegrond verklaard.
Volgens de onderzoekers heeft het aantal klachten over psychiaters zich 'betrekkelijk gunstig' ontwikkeld, doordat het aantal psychiaters tussen 1989 en 1997 is gestegen van 1115 tot 1678, een toename van 50 procent. De laatste jaren worden steeds meer klachten over artsen ingediend bij het medisch tuchtcollege. Dat geldt over de hele linie. Maar omdat er steeds meer psychiaters komen, is de stijging van de klachten over hen relatief, menen de onderzoekers.
_________________________________________________________
20-1-2009
Verslag rechtszaak HTC omtrent R.S. 20-1-2009, Amsterdam
R.S. verraste ons door toch aanwezig te zijn bij de rechtszaak, terwijl hij had laten vermelden niet aanwezig te zijn.
Verder waren tijdens deze rechtszaak aanwezig: HTC: voorzitter van de rechtszaak, psychiater, internist, internist, huisarts, jurist, jurist. Advocaat van R.S. MdH: Tanja Zondervan en ikzelf.
Met de opening van de rechtszaak komt de voorzitter terug op het dossierpakket dat is verstuurd naar cliënt, advocaat en dat door cliënt is doorgestuurd naar het MDH.
De klacht van het MDH dat dit dossier van ruim honderd pagina’s, waarvan een deel onleesbaar, slechts enkele dagen voor de zitting is aangekomen bij het MDH wordt erkend.
Er zijn fouten gemaakt door het HTC, maar deze kunnen nu niet meer worden teruggedraaid.
De leider geeft het toe, maar benadrukt dat blijven hangen in deze kwestie niet in het belang is van de cliënt. ‘Deze zaak gaat om de cliënt, niet om de advocaat, niet om R.S. en ook niet om MDH’ , zoals hij verwoordde.
De klaagster kan niet aanwezig zijn bij de zitting en heeft hiervoor een bevestigend advies ontvangen en opgestuurd van de huisarts. De cliënt is er lichamelijk niet toe in staat.
Tanja, van het MDH krijgt het woord en verdedigt de positie van de cliënt.
Ze adviseert het college om niet inhoudelijk op het dossier in te gaan, omdat dit niet gelezen kon worden.
Ze vertelt dat stukken in het dossier onleesbaar zijn en laat dat ook aan de leider zien.
Hij vraagt aan de advocaat of deze de problemen herkent. Maar die ontkent dat.
De voorzitter noemt de aanklachten tegen R.S. op:
- het versturen van seksueel overschrijdende teksten op SMS
- het versturen van kaartjes en brieven
- verbaal seksueel overschrijdend gedrag.
- niet onderhouden van dossier ( o.a. medicatie)
In eerste instantie wenst R.S. geen reactie te geven op de aanklachten.
Wanneer hij een 2e kans krijgt hiertoe, geeft hij aan de klacht niet te begrijpen, waarna de leider deze nog eens herhaalt. ‘Begrijpt u deze aanklacht?’
Als reactie geeft R.S.: ‘Ik heb de cliënt nooit aangeraakt. Ze werd verliefd op mij en ik heb haar daarin niet gestimuleerd.’
Leider: ‘Dus mevrouw begon ermee en u hebt het doorbroken?’ R.S.: ‘Ja’
Hij voegt er nog aan toe: ‘Cliënte is door de media-aandacht tot deze klachten gekomen’.
Tanja, van het MDH krijgt ruim de gelegenheid om voor de klaagster te spreken en doet dat ook met verve.
(Dit heb ik niet genoteerd, op haar advies, omdat ze dat zelf al op papier heeft staan; dat komt in ons uiteindelijke verslag te staan)
Ze geeft wel aan dat R.S. zich niet aan de afspraak heeft gehouden door het dossier naar de cliënt te sturen i.p.v. naar het MdH, waarmee hij contact met haar heeft opgenomen. Dit was niet de afspraak.
De reden die R.S. aangeeft waardom het dossier bij de cliënt aankwam en te laat bij het MdH arriveerde was dat hij net enkele dagen later nadat hij het had opgestuurd hoorde dat het naar het MdH moest. Ook had hij niet begrepen hoe urgent het was voor de cliënt.
Hij vertelt dat hij onder zware druk leeft en met veel moeite het dossier bij elkaar heeft kunnen vinden en kopiëren. Het heeft hem heel veel werk gekost.
Advocaat van R.S.: ‘Ik begrijp niets van de aanklacht en ook niet wat het verband is met de eerdere aanklachten tegen R.S., want dit is van een geheel andere orde’ . Het gaat volgens de advocaat niet om dergelijke verwijtbare zaken, maar om persoonlijk contact tussen R.S. en zijn cliënt, een ‘omgangskwestie’ . ‘Er heeft geen enkele vorm van aanraking plaatsgevonden’, aldus de advocaat.
Wanneer Tanja het woord krijgt legt ze uit wat deze ‘omgangskwestie’ bij de cliënt voor gevolgen heeft en wijst er nog eens op dat de cliënt in haar toestand niet in staat is om een dossier als deze te gaan kopiëren en op te sturen, laat staan lezen en zo dus ook niet in staat is om zichzelf te verdedigen.
De voorzitter betwist dit enigszins door te zeggen dat het originele dossier toch ook kon worden opgestuurd naar MdH, waar Tanja weer op ingaat met: ‘dan is het risico te groot dat het zoek raakt’.
De voorzitter sluit de zitting af met: uitspraak volgt op 13 maart 2009
E.Tina J.
6-11-2008
www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/images/07-213.zwl.pdf
3. DE KLACHT
Klager verwijt verweerder – zakelijk weergegeven – dat verweerder zonder zijn toestemming zijn penis heeft onderzocht, een niet passend onderzoek voor een cardioloog en dat in feite sprake was van ontuchtige handelingen oftewel een aanranding, waardoor zijn vertrouwen in de medische stand is geschaad.
_______________________________________________________
[ terug... ]

Maak vrienden
-
Wil je vrienden worden met machtsmisbruik?
Voeg toe als vriend...
Mijn vrienden / buddies
-
sammm(1)
poll bezoekers
- Poll: Type bezoekers?
Tussenstand:

Ook een poll maken? klik dan hier