- introductie
- gastenboek en Forum
- mededelingen!
- NIEUW! FORUM
- Wat is GOG?
- Waarom deze website?
- Gevolgen van GOG
- mijn verhaal
- mijn gedichten
- Machtsmisbruik Verwo
- WKGZ
- ontucht door gezag
- reglement PvP
- Protocol
- Het mag niet het mag
- A. Vandermeulen
- Doen wat je moet doe
- S. J. Spero
- training GOG
- M. Heemelaar
- Finkensieper pages
- onderzoeken/ studies
- boeken
- links
- GOG door hulpverl.
- GOG door hulpverl. 2
- GOG door hulpverl. 3
- GOG in past. rel.
- GOG in past. rel. 2
- GOG onderwijs
- GOG en werk
- infopagina extra
- infopagina extra 2
- infopagina extra 3
- infopagina recht
- infopagina recht 2
- infopagina recht 3
- info vakliteratuur
- medisch tuchtrecht
- therapie &relatie
- Tactiele Bevestiging
- ACT
- Wat zeggen zij?
- hechting
- daderprofiel
- weblog 1
- weblog 2
- weblog 3
- model-protocol
- research GOG
- LOTGENOTENGROEP
- teller
- poll website
Zoeken op de site:
» infopagina rechtszaken 2
25-11-2008
Uitspraak R.S.
RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
Parketnummer: 16/600287-08
Datum uitspraak: 17 november 2008
Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1947] te [geboorteplaats],
wonende te [adres].
Raadsman: mr. E.N. Bouwman.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
17 juli 2008 en 3 november 2008.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 1996 tot 1 december 2005 te Veenendaal,althans in het arrondissement Utrecht, terwijl hij toen (in de hoedanigheid van psychiater) werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, waarbij die ontucht er (telkens) in heeft bestaan of er (telkens) mede in heeft bestaan dat hij, verdachte,
- de borst(en) van die [slachtoffer] heeft aangeraakt/betast, en/of
- met zijn, verdachtes mond aan de borst(en) van die [slachtoffer] heeft gelikt en/of gezogen, en/of
- de vagina van die [slachtoffer] heeft aangeraakt, en/of
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of vervolgens haar heeft gevingerd, en/of
- zijn (ontblote) penis door die [slachtoffer] heeft laten aanraken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze dat:
hij in de periode van 1 april 1996 tot 1 december 2005 te Veenendaal, terwijl hij toen in de hoedanigheid van psychiater werkzaam was in de gezondheidszorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als patiënt aan verdachtes hulp had toevertrouwd, waarbij die ontucht er telkens in heeft bestaan of er telkens mede in heeft bestaan dat hij, verdachte,
- de borsten van die [slachtoffer] heeft aangeraakt/betast, en
- met zijn, verdachtes, mond aan de borsten van die [slachtoffer] heeft gelikt en/of gezogen, en
- de vagina van die [slachtoffer] heeft aangeraakt, en
- zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht en gehouden en vervolgens haar heeft gevingerd, en
- zijn ontblote penis door die [slachtoffer] heeft laten aanraken.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Voor het bewijs bezigt de rechtbank de volgende bewijsmiddelen:
- De aangifte van [slachtoffer], pagina 24 t/m 32 van het eind proces-verbaal met nummer PL0950/08-003940, opgemaakt en gesloten d.d. 9 maart 2008 door
H. Noordijk, brigadier van de afdeling Recherche van District Heuvelrug, Politie Utrecht.
- De verklaring van de verdachte ter terechtzitting, alwaar hij de ten laste gelegde feitelijkheden heeft bekend.
De verdediging heeft primair aangevoerd dat geen sprake is geweest van ontuchtige handelingen omdat de seksuele handelingen zouden hebben plaatsgevonden met toestemming van aangeefster. Zij zou volledig hebben ingestemd met de therapie. Er zou voorts, gelet op de persoonlijkheid van aangeefster, geen sprake zijn geweest van een afhankelijkheidsrelatie en er zou van de zijde van verdachte absoluut geen sprake zijn geweest van enige lustbeleving.
De verdediging heeft voorts aangevoerd dat verdachte deze vorm van therapie heeft toegepast daar aangeefster zich in een noodsituatie bevond en deze vorm van behandeling als enige soelaas kon bieden. Verdachte meent dat dit zijn handelen rechtvaardigt en dat de beroepscode hem ruimte biedt voor dit gedrag.
De rechtbank overweegt dat tussen verdachte en aangeefster uitsluitend sprake is geweest van een arts-patiënt relatie. De seksuele handelingen hebben in het kader van de behandelrelatie plaatsgevonden. Als patiënt was aangeefster, ongeacht haar persoonlijkheidsstructuur, afhankelijk van haar behandelaar. Niet is gebleken dat verdachte op enig moment voorafgaand aan het verrichten van de sexuele handelingen bij aangeefster, de aard van de voorgenomen behandeling expliciet aan de orde heeft gesteld en van zijn patiënte daarvoor haar ondubbelzinnige toestemming heeft verkregen. Verdachte heeft de behandeling geheel eigenstandig, zonder enige vorm van collegiale toetsing, aangevangen en aangeefster heeft dat in haar hoedanigheid van patiënt die niet beter wist, geaccepteerd. De rechtbank is overigens van oordeel dat in deze context een eventuele instemming van het slachtoffer de vaststelling dat sprake is van ontucht in de zin van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) niet noodzakelijkerwijs in de weg staat. In artikel 249 Sr. staat immers de bescherming van afhankelijke personen tegen seksuele handelingen centraal. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 1997 (HR 18/2/1997, NJ 1997, 485).
De rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen die door verdachte zijn verricht bij aangeefster in het kader van de behandelrelatie onmiskenbaar grensoverschrijdend zijn en dan ook als het opzettelijk plegen van ontucht moet worden aangemerkt. De verklaring van verdachte dat hij daarbij geen lustgevoelens heeft ervaren doet daar niet aan af, nu zijn patiënte de handelingen wel degelijk als seksueel heeft ervaren.
De rechtbank verwerpt voorts het verweer van de verdediging dat het handelen van verdachte gerechtvaardigd wordt door de noodsituatie waarin patiënte zich bevond. De rechtbank overweegt dat het Centraal Tuchtcollege, het hoogste gerecht dat oordeelt over klachten tegen beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg, in haar uitspraak van 1 juli 2008 (2007/276), heeft geoordeeld dat de regels II.5.1.1 tot en met II.5.3 van de beroepcode (verbod van seksueel gedrag) het gewraakte handelen van verdachte niet sanctioneren, omdat in het onderhavige geval, zoals de rechtbank hierboven eveneens heeft overwogen, reeds geen sprake is geweest van een geïnformeerde en ondubbelzinnige toestemming van zijn patiënte. Het Centraal Tuchtcollege heeft verder in haar uitspraak uiteengezet welke meer voor de hand liggende wegen er voor verdachte openstonden in de door hem gestelde noodsituatie. Het Centraal Tuchtcollege heeft in dit verband overwogen dat verdachte bij een reëel gevaar voor zelfdoding had kunnen overwegen om zijn patiënte , desnoods gedwongen, op te laten nemen in een psychiatrisch ziekenhuis en voor zover hij een misdrijf vreesde, had hij haar kunnen adviseren om de politie op de hoogte te brengen dan wel had hij dit onder omstandigheden zelf kunnen doen. Het Centraal Tuchtcollege heeft vastgesteld dat van een rechtvaardiging om aangeefster te behandelen op deze zeer ongebruikelijke wijze dan ook geen sprake kan zijn.
De rechtbank neemt voornoemd oordeel van het Centraal Tuchtcollege over en maakt deze tot het hare en concludeert dat verdachte volgens zijn eigen beroepsgroep volledig tekort geschoten is in zijn plicht aangeefster te behandelen conform de in zijn beroepsgroep aanvaarde professionele normen.
De strafbaarheid van het feit
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.
Werkzaam in de gezondheidszorg ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd.
De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering van de op te leggen sancties
Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.
Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft in ernstige mate inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij kon dat mede doen doordat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie van psychiater en het vertrouwen dat het slachtoffer als zodanig in hem heeft gesteld.
Het slachtoffer heeft in haar verklaring beschreven hoe zij zich gevangen voelde in de therapie van verdachte: opgesloten in gevoelens van verwarring, afhankelijkheid en schaamte. Verdachte heeft ernstige schade toegebracht aan het slachtoffer en haar gezin en leek dit tot op de dag van de zitting niet te willen beseffen.
Voorts heeft verdachte de beroepsgroep van psychiaters/psychotherapeuten door zijn handelen ernstig in diskrediet gebracht.
Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van de justitiële documentatie van verdachte d.d. 10 maart 2008, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Voorts heeft de rechtbank gelet op de leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat verdachte reeds fors gestraft is door zijn eigen beroepsgroep met een doorhaling van de algehele inschrijving van verdache in het register ex artikel 3 van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg en bekendmaking van deze beslissing in de Nederlandse Staatscourant en drie vaktijdschriften.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:
- een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van het voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk;
- ontzetting uit het beroep van therapeut in de gezondheidszorg voor de duur van vijf jaren.
De rechtbank is van oordeel dat het strafbare feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt.
De rechtbank acht echter, alles afwegende, gelet op de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een taakstraf als na te melden passend en geboden.
De rechtbank is van oordeel dat een hoge voorwaardelijke straf noodzakelijk is gezien de wens van verdachte om, zo nodig in een andere hoedanigheid, door te willen gaan met zijn praktijken. De voorwaardelijke gevangenisstraf moet de verdachte ervan weerhouden dat hij zich opnieuw schuldig zal maken aan soortgelijke feiten als thans bewezen zijn verklaard.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.
De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 55.000,- wegens materiële schade en een bedrag van € 150.000,- wegens immateriële schade.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de materiële schade (€ 55.000,-) is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 7.500,- aan immateriële schade van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.
De immateriële schade wordt vastgesteld op € 7.500,- en voor het overige (€ 142.500,-)
niet-ontvankelijk verklaard.
De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 7.500,- worden toegewezen.
De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.
De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.
DE BESLISSING
De rechtbank beslist als volgt:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van
9 (negen) maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.
Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:
- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:
een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderd veertig) uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van
120 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te Veenendaal, ten dele toe tot een bedrag van € 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd euro).
Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.
Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 7.500,- (zegge zevenduizend vijfhonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van
150 (honderd vijftig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.
Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.
Dit vonnis is gewezen door mrs. P.M.E. Bernini, A. Wassing en M.H.L. Schoenmakers, bijgestaan door mr. P. Groot-Smits als griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 november 2008.
Mr. M.H.L. Schoenmakers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
_________________________________________________________
24-11-08 drs.J.W.Swaen www.blikopdewereld.nl
Veroordeling verdachte voor plegen ontucht met leerling
De meervoudige strafkamer rechtbank Leeuwarden heeft op 20 november 2008 een verdachte veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met één van zijn leerlingen. Het slachtoffer was destijds veertien jaar. De verdachte is veroordeeld tot de maximale werkstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Voorts moet verdachte het slachtoffer schadevergoeding betalen.
LJN: BG4884, Rechtbank Leeuwarden , 17/885071-08 VON
Datum uitspraak: 20-11-2008
Datum publicatie: 20-11-2008
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Ontucht met leerling, bewijsmiddelen, bewijsuitsluiting, vormverzuim
Uitspraak
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector straf
parketnummer 17/885071-08
vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 november 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],
wonende te [adres].
De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 6 november 2008 en 19 augustus 2008.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Almere.
Telastelegging
Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.
In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
Op schriftelijke vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 19 augustus 2008 is de telastelegging gewijzigd, zoals in die vordering staat omschreven. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van die vordering is aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd.
Vordering officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:
- veroordeling voor het primair telastegelegde;
- oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;
- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij de AFPN;
- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 1.685,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman heeft aangevoerd dat in het voorbereidend onderzoek op meerdere punten niet is gehandeld conform de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (hierna: Aanwijzing), namelijk:
- uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] op 11 januari 2008 in het bijzijn van haar zus is gehoord;
- de bandopname van het verhoor van [slachtoffer] is niet meer af te luisteren en
- het lijkt erop dat er een selectie is gemaakt van de aangetroffen sms-berichten in de telefoon van [slachtoffer].
De raadsman heeft de rechtbank op grond van voorgaande verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om bewijsuitsluiting van de verhoren van [slachtoffer].
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
De Aanwijzing bevat instructienormen die ertoe strekken de zorgvuldigheid, controleerbaarheid en neutraliteit van de opsporing en vervolging in zedenzaken te waarborgen.
De Aanwijzing geeft aan dat het de voorkeur verdient dat er geen vertrouwenspersoon aanwezig is bij de aangifte. De rechtbank stelt vast dat dit geen dwingend voorschrift is.
De rechtbank is voorts niet gebleken dat de aanwezigheid van de zus de waarheidsvinding heeft aangetast, nu [slachtoffer] tijdens latere verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris, in aanwezigheid van de raadsman van verdachte, een nagenoeg identieke verklaring heeft afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de in de Aanwijzing geformuleerde norm aldus niet is geschonden.
De Aanwijzing schrijft voor dat, voor zover de aangifte van seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties door het slachtoffer gedaan wordt, de aangifte dient te worden opgenomen op geluidsband. De rechtbank is hieromtrent het volgende gebleken.
Het slachtoffer heeft geen aangifte gedaan, maar een getuigenverklaring afgelegd in deze zaak. Volgens het relaas van de verbalisanten zijn alle verhoren in deze zaak auditief vastgelegd. Bij het opslaan van het verhoor van [slachtoffer] bleek dat het verhoor niet opgeslagen was, vanwege een technisch probleem. Het verhoor zou later met behulp van een zogenaamd recovery programma alsnog afluisterbaar zijn opgeslagen. De raadsman heeft het verhoor echter niet meer af kunnen luisteren.
De rechtbank stelt aldus vast dat het verhoor wel is opgenomen, maar door een technisch probleem niet meer afluisterbaar is geweest voor de advocaat. Dit verzuim levert niet een zodanig ernstig vormverzuim op, dat dit moet leiden tot de vergaande sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nu niet is gebleken of aannemelijk is geworden dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, in die zin dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekort gedaan. Nu de advocaat op andere wijze de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] heeft kunnen controleren tijdens de verhoren die zij heeft afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, is de rechtbank van oordeel dat dit ook niet behoeft te leiden tot bewijsuitsluiting.
Dat niet geheel duidelijk is of de telefoon van [slachtoffer] volledig is uitgelezen, doet hieraan volgens de rechtbank niet af, nu [slachtoffer] heeft verklaard dat het sms'en ook van haar uitging, dit voorts is gebleken bij het uitlezen van de telefoon van verdachte en dit niet van belang is voor een bewezenverklaring.
Bewijsmiddelen
De rechtbank past met betrekking tot de telastegelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2008, welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:
Ik heb op 20 december 2007 in de woning van [slachtoffer] met [slachtoffer] getongzoend en ik heb haar gestreeld over haar been, haar armen, haar nek en haar rug.
Ik was toen de leraar van de veertienjarige [slachtoffer].
Ik heb het volgende sms-bericht op 23 december 2007 naar [slachtoffer] verstuurd: 'binnenkort moet ji t weer doen net zo lkkr als de vorige keer toen je me aftrok hmmmm dat vond k egt geil..hvj xxx'.
2. het door de rechter-commissaris in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:
Ik kreeg Duits van [verdachte].
U houdt mij een sms-bericht voor van [verdachte] aan mij van 2 januari 2008: 'Hey lkkrtje ... k wil je verwenne.. je vingeren en likken en klaarmaken hmmmm mag dat?? en dat jij mij weer lkkr aftrekt en pijpt.' Ik weet nog dat ik dit bericht kreeg. Dat slaat op dat hij een keer bij mij thuis is geweest en toen heb ik hem afgetrokken. U houdt mij voor een sms-bericht van [verdachte] aan mij van 23 december 2007: 'binnenkort moet ji t weer doen net zo lkkr als de vorige keer toen je me aftrok.' Dit gaat ook over dezelfde keer. Dit was voor de kerstvakantie. Dit was op een donderdag 20 december. Ik heb [verdachte] afgetrokken op de bank bij ons thuis. [verdachte] kwam bij mij thuis in [plaats] en toen zoende hij mij en begon over mijn kleding te strelen. Ook onder mijn kleren. Die zoen was een tongzoen. Toen maakte hij zijn broek en riem los en deed zijn broek naar beneden. Hij pakte toen mijn hand en zei: wil je dit wel even doen? Hij deed mijn hand op zijn penis. Toen ging dit op en neer. Hij liet dat mij doen. Hij heeft mijn borsten betast en hij heeft met zijn hand op mijn onderbroek gewreven. Tongzoenen is vaker gebeurd.
3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] (pagina 20, 31, 32, 33, 34 en 35), welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:
Op 20 december 2007 kwam [verdachte] bij mij thuis in [plaats]. [verdachte] begon mij aan te raken op mijn hele lichaam. Hij heeft mijn kont overal aangeraakt met zijn hele hand.
Bovenstaande wettige bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang beschouwd- houden de redengevende feiten en omstandigheden in waarop de beslissing van de rechtbank steunt dat verdachte het hierna bewezenverklaarde feit heeft begaan.
Nadere bewijsoverweging
De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de plaats Wolvega is gelegen in de gemeente Weststellingwerf.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder primair: telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:
hij op 20 december 2007, te Wolvega, in de gemeente Weststellingwerf,
met de minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die als leerling van een school, waaraan hij, verdachte, als leraar was verbonden, aan diens opleiding was toevertrouwd, ontucht heeft gepleegd, hebbende verdachte
-die [slachtoffer] onder haar kleding over haar borsten en billen en elders over haar lichaam, betast en gestreeld en
-die [slachtoffer], zijn, verdachtes, penis, met haar hand laten vastpakken en vervolgens met die hand op en neer gaande bewegingen laten maken over de penis van hem, verdachte, en
-die [slachtoffer] getongzoend.
De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Kwalificatie
Het bewezene levert op het misdrijf:
primair:
Ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige.
Strafbaarheid verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:
- de aard en de ernst van het gepleegde feit;
- de omstandigheden waaronder dit is begaan;
- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;
- de vordering van de officier van justitie;
- het pleidooi van de raadsman.
Verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd bij een 14-jarig meisje, dat zijn leerling was. Verdachte was docent Duits. Via sms-en en MSN-en heeft verdachte een soort relatie opgebouwd met het slachtoffer. Een en ander is uiteindelijk uitgemond in ontuchtige handelingen, waarbij onder andere is getongzoend en het slachtoffer er toe gebracht is verdachte af te trekken. Door zijn strafbare handelen heeft verdachte de seksuele integriteit van een aan zijn opleiding toevertrouwde pupil geschonden. Dit is een ernstig strafbaar feit. Leerlingen en met name pubers, die op zoek kunnen zijn naar hun eigen seksuele identiteit, moeten zich in hun schoolomgeving veilig weten en niet worden lastig gevallen met seksuele toenaderingen van hun docenten.
Over verdachte is een voorlichtingsrapport opgemaakt, waarvan de rechtbank de conclusies overneemt. De reclassering heeft vastgesteld dat er een lage kans op recidive is. De reclassering acht het wel van belang dat er reclasseringstoezicht wordt opgelegd en dat de AFP wordt ingeschakeld omdat die specialistische kennis en ervaring heeft om te werken met mensen die veroordeeld zijn wegens een zedendelict.
Verdachte heeft betoogd dat hij naar aanleiding van het gebeurde zelf hulp heeft gezocht van een psycholoog en dat hij dat vrijwillige traject de voorkeur geeft boven een eventueel traject bij de AFP. Het strafbare feit heeft voor verdachte tot gevolg gehad dat hij zijn baan als docent Duits is kwijt geraakt en dat hij niet meer in het onderwijs werkzaam kan zijn. Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de maximale werkstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf is. Als bijzondere voorwaarde zal reclasseringstoezicht worden opgelegd, ook als dit inhoudt dat verdachte zich onder behandeling van de AFP Leeuwarden laat stellen. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient ertoe om de ernst van het feit aan te geven en ook om verdachte te weerhouden van het begaan van nieuwe strafbare feiten.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.
De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen, danwel niet-ontvankelijk te verklaren op grond van het volgende: [slachtoffer] heeft medeschuld en voorafgaand aan het contact tussen verdachte en haar ging het niet goed met haar.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde mantelzorg, ter hoogte van € 105,00, en de schoolkosten, ter hoogte van € 335,00, voldoende aannemelijk zijn geworden en in zodanig verband staan met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.
Dat [slachtoffer] ook contact heeft gezocht met verdachte doet hieraan niet af, nu artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht is geschreven ter bescherming van afhankelijke personen.
Ten aanzien van de gevorderde telefoonkosten en de vakantie is de rechtbank van oordeel dat deze onvoldoende causaal verband hebben met het gepleegde strafbare feit, zodat de benadeelde partij ten aanzien van deze onderdelen niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat alle immateriële schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit. In het leven van de benadeelde partij zijn immers ook andere factoren aanwijsbaar, die de immateriële schade kunnen verklaren. Een verdeling van deze factoren is in het strafgeding niet te maken.
Van enige immateriële schade, die het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit, is echter wel gebleken en de rechtbank zal de vordering dan ook tot een bedrag van € 500,00 toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van haar vordering.
De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen, voor het toe te wijzen bedrag.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c(oud), 22d, 36f(oud), 57 (oud), 249 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:
Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart het primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.
Veroordeelt verdachte te dier zake tot:
Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid. LJN: BG4884, Rechtbank Leeuwarden , 17/885071-08 VON
Datum uitspraak: 20-11-2008
Datum publicatie: 20-11-2008
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Ontucht met leerling, bewijsmiddelen, bewijsuitsluiting, vormverzuim
Uitspraak
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector straf
parketnummer 17/885071-08
vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 november 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],
wonende te [adres].
De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 6 november 2008 en 19 augustus 2008.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Almere.
Telastelegging
Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.
In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
Op schriftelijke vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 19 augustus 2008 is de telastelegging gewijzigd, zoals in die vordering staat omschreven. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van die vordering is aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd.
Vordering officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:
- veroordeling voor het primair telastegelegde;
- oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;
- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij de AFPN;
- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 1.685,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman heeft aangevoerd dat in het voorbereidend onderzoek op meerdere punten niet is gehandeld conform de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (hierna: Aanwijzing), namelijk:
- uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] op 11 januari 2008 in het bijzijn van haar zus is gehoord;
- de bandopname van het verhoor van [slachtoffer] is niet meer af te luisteren en
- het lijkt erop dat er een selectie is gemaakt van de aangetroffen sms-berichten in de telefoon van [slachtoffer].
De raadsman heeft de rechtbank op grond van voorgaande verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om bewijsuitsluiting van de verhoren van [slachtoffer].
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
De Aanwijzing bevat instructienormen die ertoe strekken de zorgvuldigheid, controleerbaarheid en neutraliteit van de opsporing en vervolging in zedenzaken te waarborgen.
De Aanwijzing geeft aan dat het de voorkeur verdient dat er geen vertrouwenspersoon aanwezig is bij de aangifte. De rechtbank stelt vast dat dit geen dwingend voorschrift is.
De rechtbank is voorts niet gebleken dat de aanwezigheid van de zus de waarheidsvinding heeft aangetast, nu [slachtoffer] tijdens latere verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris, in aanwezigheid van de raadsman van verdachte, een nagenoeg identieke verklaring heeft afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de in de Aanwijzing geformuleerde norm aldus niet is geschonden.
De Aanwijzing schrijft voor dat, voor zover de aangifte van seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties door het slachtoffer gedaan wordt, de aangifte dient te worden opgenomen op geluidsband. De rechtbank is hieromtrent het volgende gebleken.
Het slachtoffer heeft geen aangifte gedaan, maar een getuigenverklaring afgelegd in deze zaak. Volgens het relaas van de verbalisanten zijn alle verhoren in deze zaak auditief vastgelegd. Bij het opslaan van het verhoor van [slachtoffer] bleek dat het verhoor niet opgeslagen was, vanwege een technisch probleem. Het verhoor zou later met behulp van een zogenaamd recovery programma alsnog afluisterbaar zijn opgeslagen. De raadsman heeft het verhoor echter niet meer af kunnen luisteren.
De rechtbank stelt aldus vast dat het verhoor wel is opgenomen, maar door een technisch probleem niet meer afluisterbaar is geweest voor de advocaat. Dit verzuim levert niet een zodanig ernstig vormverzuim op, dat dit moet leiden tot de vergaande sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nu niet is gebleken of aannemelijk is geworden dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, in die zin dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekort gedaan. Nu de advocaat op andere wijze de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] heeft kunnen controleren tijdens de verhoren die zij heeft afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, is de rechtbank van oordeel dat dit ook niet behoeft te leiden tot bewijsuitsluiting.
Dat niet geheel duidelijk is of de telefoon van [slachtoffer] volledig is uitgelezen, doet hieraan volgens de rechtbank niet af, nu [slachtoffer] heeft verklaard dat het sms'en ook van haar uitging, dit voorts is gebleken bij het uitlezen van de telefoon van verdachte en dit niet van belang is voor een bewezenverklaring.
Bewijsmiddelen
De rechtbank past met betrekking tot de telastegelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2008, welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:
Ik heb op 20 december 2007 in de woning van [slachtoffer] met [slachtoffer] getongzoend en ik heb haar gestreeld over haar been, haar armen, haar nek en haar rug.
Ik was toen de leraar van de veertienjarige [slachtoffer].
Ik heb het volgende sms-bericht op 23 december 2007 naar [slachtoffer] verstuurd: 'binnenkort moet ji t weer doen net zo lkkr als de vorige keer toen je me aftrok hmmmm dat vond k egt geil..hvj xxx'.
2. het door de rechter-commissaris in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:
Ik kreeg Duits van [verdachte].
U houdt mij een sms-bericht voor van [verdachte] aan mij van 2 januari 2008: 'Hey lkkrtje ... k wil je verwenne.. je vingeren en likken en klaarmaken hmmmm mag dat?? en dat jij mij weer lkkr aftrekt en pijpt.' Ik weet nog dat ik dit bericht kreeg. Dat slaat op dat hij een keer bij mij thuis is geweest en toen heb ik hem afgetrokken. U houdt mij voor een sms-bericht van [verdachte] aan mij van 23 december 2007: 'binnenkort moet ji t weer doen net zo lkkr als de vorige keer toen je me aftrok.' Dit gaat ook over dezelfde keer. Dit was voor de kerstvakantie. Dit was op een donderdag 20 december. Ik heb [verdachte] afgetrokken op de bank bij ons thuis. [verdachte] kwam bij mij thuis in [plaats] en toen zoende hij mij en begon over mijn kleding te strelen. Ook onder mijn kleren. Die zoen was een tongzoen. Toen maakte hij zijn broek en riem los en deed zijn broek naar beneden. Hij pakte toen mijn hand en zei: wil je dit wel even doen? Hij deed mijn hand op zijn penis. Toen ging dit op en neer. Hij liet dat mij doen. Hij heeft mijn borsten betast en hij heeft met zijn hand op mijn onderbroek gewreven. Tongzoenen is vaker gebeurd.
3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] (pagina 20, 31, 32, 33, 34 en 35), welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:
Op 20 december 2007 kwam [verdachte] bij mij thuis in [plaats]. [verdachte] begon mij aan te raken op mijn hele lichaam. Hij heeft mijn kont overal aangeraakt met zijn hele hand.
Bovenstaande wettige bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang beschouwd- houden de redengevende feiten en omstandigheden in waarop de beslissing van de rechtbank steunt dat verdachte het hierna bewezenverklaarde feit heeft begaan.
Nadere bewijsoverweging
De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de plaats Wolvega is gelegen in de gemeente Weststellingwerf.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder primair: telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:
hij op 20 december 2007, te Wolvega, in de gemeente Weststellingwerf,
met de minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die als leerling van een school, waaraan hij, verdachte, als leraar was verbonden, aan diens opleiding was toevertrouwd, ontucht heeft gepleegd, hebbende verdachte
-die [slachtoffer] onder haar kleding over haar borsten en billen en elders over haar lichaam, betast en gestreeld en
-die [slachtoffer], zijn, verdachtes, penis, met haar hand laten vastpakken en vervolgens met die hand op en neer gaande bewegingen laten maken over de penis van hem, verdachte, en
-die [slachtoffer] getongzoend.
De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Kwalificatie
Het bewezene levert op het misdrijf:
primair:
Ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige.
Strafbaarheid verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:
- de aard en de ernst van het gepleegde feit;
- de omstandigheden waaronder dit is begaan;
- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;
- de vordering van de officier van justitie;
- het pleidooi van de raadsman.
Verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd bij een 14-jarig meisje, dat zijn leerling was. Verdachte was docent Duits. Via sms-en en MSN-en heeft verdachte een soort relatie opgebouwd met het slachtoffer. Een en ander is uiteindelijk uitgemond in ontuchtige handelingen, waarbij onder andere is getongzoend en het slachtoffer er toe gebracht is verdachte af te trekken. Door zijn strafbare handelen heeft verdachte de seksuele integriteit van een aan zijn opleiding toevertrouwde pupil geschonden. Dit is een ernstig strafbaar feit. Leerlingen en met name pubers, die op zoek kunnen zijn naar hun eigen seksuele identiteit, moeten zich in hun schoolomgeving veilig weten en niet worden lastig gevallen met seksuele toenaderingen van hun docenten.
Over verdachte is een voorlichtingsrapport opgemaakt, waarvan de rechtbank de conclusies overneemt. De reclassering heeft vastgesteld dat er een lage kans op recidive is. De reclassering acht het wel van belang dat er reclasseringstoezicht wordt opgelegd en dat de AFP wordt ingeschakeld omdat die specialistische kennis en ervaring heeft om te werken met mensen die veroordeeld zijn wegens een zedendelict.
Verdachte heeft betoogd dat hij naar aanleiding van het gebeurde zelf hulp heeft gezocht van een psycholoog en dat hij dat vrijwillige traject de voorkeur geeft boven een eventueel traject bij de AFP. Het strafbare feit heeft voor verdachte tot gevolg gehad dat hij zijn baan als docent Duits is kwijt geraakt en dat hij niet meer in het onderwijs werkzaam kan zijn. Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de maximale werkstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf is. Als bijzondere voorwaarde zal reclasseringstoezicht worden opgelegd, ook als dit inhoudt dat verdachte zich onder behandeling van de AFP Leeuwarden laat stellen. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient ertoe om de ernst van het feit aan te geven en ook om verdachte te weerhouden van het begaan van nieuwe strafbare feiten.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.
De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen, danwel niet-ontvankelijk te verklaren op grond van het volgende: [slachtoffer] heeft medeschuld en voorafgaand aan het contact tussen verdachte en haar ging het niet goed met haar.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde mantelzorg, ter hoogte van € 105,00, en de schoolkosten, ter hoogte van € 335,00, voldoende aannemelijk zijn geworden en in zodanig verband staan met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.
Dat [slachtoffer] ook contact heeft gezocht met verdachte doet hieraan niet af, nu artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht is geschreven ter bescherming van afhankelijke personen.
Ten aanzien van de gevorderde telefoonkosten en de vakantie is de rechtbank van oordeel dat deze onvoldoende causaal verband hebben met het gepleegde strafbare feit, zodat de benadeelde partij ten aanzien van deze onderdelen niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat alle immateriële schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit. In het leven van de benadeelde partij zijn immers ook andere factoren aanwijsbaar, die de immateriële schade kunnen verklaren. Een verdeling van deze factoren is in het strafgeding niet te maken.
Van enige immateriële schade, die het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit, is echter wel gebleken en de rechtbank zal de vordering dan ook tot een bedrag van € 500,00 toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van haar vordering.
De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen, voor het toe te wijzen bedrag.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c(oud), 22d, 36f(oud), 57 (oud), 249 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:
Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart het primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.
Veroordeelt verdachte te dier zake tot:
Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde:
- zich bij het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland;
- ervoor zorgt dat hij gedurende de proeftijd bereikbaar is voor deze reclasseringsinstelling;
- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens genoemde reclasseringsinstelling, ook als dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord Nederland.
Draagt genoemde reclasseringsinstelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres], toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 940,00 (zegge: negenhonderd veertig euro).
Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van € 940,00 (zegge: negenhonderd veertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 940,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. de Jong, voorzitter, mr. M.J. Dijkstra en mr. M. van den Bosch, rechters, bijgestaan door mr. E. Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 november 2008.
[ terug... ]
Uitspraak R.S.
RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
Parketnummer: 16/600287-08
Datum uitspraak: 17 november 2008
Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1947] te [geboorteplaats],
wonende te [adres].
Raadsman: mr. E.N. Bouwman.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
17 juli 2008 en 3 november 2008.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 1996 tot 1 december 2005 te Veenendaal,althans in het arrondissement Utrecht, terwijl hij toen (in de hoedanigheid van psychiater) werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, waarbij die ontucht er (telkens) in heeft bestaan of er (telkens) mede in heeft bestaan dat hij, verdachte,
- de borst(en) van die [slachtoffer] heeft aangeraakt/betast, en/of
- met zijn, verdachtes mond aan de borst(en) van die [slachtoffer] heeft gelikt en/of gezogen, en/of
- de vagina van die [slachtoffer] heeft aangeraakt, en/of
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of vervolgens haar heeft gevingerd, en/of
- zijn (ontblote) penis door die [slachtoffer] heeft laten aanraken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze dat:
hij in de periode van 1 april 1996 tot 1 december 2005 te Veenendaal, terwijl hij toen in de hoedanigheid van psychiater werkzaam was in de gezondheidszorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als patiënt aan verdachtes hulp had toevertrouwd, waarbij die ontucht er telkens in heeft bestaan of er telkens mede in heeft bestaan dat hij, verdachte,
- de borsten van die [slachtoffer] heeft aangeraakt/betast, en
- met zijn, verdachtes, mond aan de borsten van die [slachtoffer] heeft gelikt en/of gezogen, en
- de vagina van die [slachtoffer] heeft aangeraakt, en
- zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht en gehouden en vervolgens haar heeft gevingerd, en
- zijn ontblote penis door die [slachtoffer] heeft laten aanraken.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Voor het bewijs bezigt de rechtbank de volgende bewijsmiddelen:
- De aangifte van [slachtoffer], pagina 24 t/m 32 van het eind proces-verbaal met nummer PL0950/08-003940, opgemaakt en gesloten d.d. 9 maart 2008 door
H. Noordijk, brigadier van de afdeling Recherche van District Heuvelrug, Politie Utrecht.
- De verklaring van de verdachte ter terechtzitting, alwaar hij de ten laste gelegde feitelijkheden heeft bekend.
De verdediging heeft primair aangevoerd dat geen sprake is geweest van ontuchtige handelingen omdat de seksuele handelingen zouden hebben plaatsgevonden met toestemming van aangeefster. Zij zou volledig hebben ingestemd met de therapie. Er zou voorts, gelet op de persoonlijkheid van aangeefster, geen sprake zijn geweest van een afhankelijkheidsrelatie en er zou van de zijde van verdachte absoluut geen sprake zijn geweest van enige lustbeleving.
De verdediging heeft voorts aangevoerd dat verdachte deze vorm van therapie heeft toegepast daar aangeefster zich in een noodsituatie bevond en deze vorm van behandeling als enige soelaas kon bieden. Verdachte meent dat dit zijn handelen rechtvaardigt en dat de beroepscode hem ruimte biedt voor dit gedrag.
De rechtbank overweegt dat tussen verdachte en aangeefster uitsluitend sprake is geweest van een arts-patiënt relatie. De seksuele handelingen hebben in het kader van de behandelrelatie plaatsgevonden. Als patiënt was aangeefster, ongeacht haar persoonlijkheidsstructuur, afhankelijk van haar behandelaar. Niet is gebleken dat verdachte op enig moment voorafgaand aan het verrichten van de sexuele handelingen bij aangeefster, de aard van de voorgenomen behandeling expliciet aan de orde heeft gesteld en van zijn patiënte daarvoor haar ondubbelzinnige toestemming heeft verkregen. Verdachte heeft de behandeling geheel eigenstandig, zonder enige vorm van collegiale toetsing, aangevangen en aangeefster heeft dat in haar hoedanigheid van patiënt die niet beter wist, geaccepteerd. De rechtbank is overigens van oordeel dat in deze context een eventuele instemming van het slachtoffer de vaststelling dat sprake is van ontucht in de zin van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) niet noodzakelijkerwijs in de weg staat. In artikel 249 Sr. staat immers de bescherming van afhankelijke personen tegen seksuele handelingen centraal. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 1997 (HR 18/2/1997, NJ 1997, 485).
De rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen die door verdachte zijn verricht bij aangeefster in het kader van de behandelrelatie onmiskenbaar grensoverschrijdend zijn en dan ook als het opzettelijk plegen van ontucht moet worden aangemerkt. De verklaring van verdachte dat hij daarbij geen lustgevoelens heeft ervaren doet daar niet aan af, nu zijn patiënte de handelingen wel degelijk als seksueel heeft ervaren.
De rechtbank verwerpt voorts het verweer van de verdediging dat het handelen van verdachte gerechtvaardigd wordt door de noodsituatie waarin patiënte zich bevond. De rechtbank overweegt dat het Centraal Tuchtcollege, het hoogste gerecht dat oordeelt over klachten tegen beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg, in haar uitspraak van 1 juli 2008 (2007/276), heeft geoordeeld dat de regels II.5.1.1 tot en met II.5.3 van de beroepcode (verbod van seksueel gedrag) het gewraakte handelen van verdachte niet sanctioneren, omdat in het onderhavige geval, zoals de rechtbank hierboven eveneens heeft overwogen, reeds geen sprake is geweest van een geïnformeerde en ondubbelzinnige toestemming van zijn patiënte. Het Centraal Tuchtcollege heeft verder in haar uitspraak uiteengezet welke meer voor de hand liggende wegen er voor verdachte openstonden in de door hem gestelde noodsituatie. Het Centraal Tuchtcollege heeft in dit verband overwogen dat verdachte bij een reëel gevaar voor zelfdoding had kunnen overwegen om zijn patiënte , desnoods gedwongen, op te laten nemen in een psychiatrisch ziekenhuis en voor zover hij een misdrijf vreesde, had hij haar kunnen adviseren om de politie op de hoogte te brengen dan wel had hij dit onder omstandigheden zelf kunnen doen. Het Centraal Tuchtcollege heeft vastgesteld dat van een rechtvaardiging om aangeefster te behandelen op deze zeer ongebruikelijke wijze dan ook geen sprake kan zijn.
De rechtbank neemt voornoemd oordeel van het Centraal Tuchtcollege over en maakt deze tot het hare en concludeert dat verdachte volgens zijn eigen beroepsgroep volledig tekort geschoten is in zijn plicht aangeefster te behandelen conform de in zijn beroepsgroep aanvaarde professionele normen.
De strafbaarheid van het feit
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.
Werkzaam in de gezondheidszorg ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd.
De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering van de op te leggen sancties
Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.
Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft in ernstige mate inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij kon dat mede doen doordat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie van psychiater en het vertrouwen dat het slachtoffer als zodanig in hem heeft gesteld.
Het slachtoffer heeft in haar verklaring beschreven hoe zij zich gevangen voelde in de therapie van verdachte: opgesloten in gevoelens van verwarring, afhankelijkheid en schaamte. Verdachte heeft ernstige schade toegebracht aan het slachtoffer en haar gezin en leek dit tot op de dag van de zitting niet te willen beseffen.
Voorts heeft verdachte de beroepsgroep van psychiaters/psychotherapeuten door zijn handelen ernstig in diskrediet gebracht.
Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van de justitiële documentatie van verdachte d.d. 10 maart 2008, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Voorts heeft de rechtbank gelet op de leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat verdachte reeds fors gestraft is door zijn eigen beroepsgroep met een doorhaling van de algehele inschrijving van verdache in het register ex artikel 3 van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg en bekendmaking van deze beslissing in de Nederlandse Staatscourant en drie vaktijdschriften.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:
- een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van het voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk;
- ontzetting uit het beroep van therapeut in de gezondheidszorg voor de duur van vijf jaren.
De rechtbank is van oordeel dat het strafbare feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt.
De rechtbank acht echter, alles afwegende, gelet op de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een taakstraf als na te melden passend en geboden.
De rechtbank is van oordeel dat een hoge voorwaardelijke straf noodzakelijk is gezien de wens van verdachte om, zo nodig in een andere hoedanigheid, door te willen gaan met zijn praktijken. De voorwaardelijke gevangenisstraf moet de verdachte ervan weerhouden dat hij zich opnieuw schuldig zal maken aan soortgelijke feiten als thans bewezen zijn verklaard.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.
De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 55.000,- wegens materiële schade en een bedrag van € 150.000,- wegens immateriële schade.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de materiële schade (€ 55.000,-) is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 7.500,- aan immateriële schade van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.
De immateriële schade wordt vastgesteld op € 7.500,- en voor het overige (€ 142.500,-)
niet-ontvankelijk verklaard.
De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 7.500,- worden toegewezen.
De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.
De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.
DE BESLISSING
De rechtbank beslist als volgt:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van
9 (negen) maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.
Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:
- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:
een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderd veertig) uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van
120 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te Veenendaal, ten dele toe tot een bedrag van € 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd euro).
Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.
Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 7.500,- (zegge zevenduizend vijfhonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van
150 (honderd vijftig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.
Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.
Dit vonnis is gewezen door mrs. P.M.E. Bernini, A. Wassing en M.H.L. Schoenmakers, bijgestaan door mr. P. Groot-Smits als griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 november 2008.
Mr. M.H.L. Schoenmakers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
_________________________________________________________
24-11-08 drs.J.W.Swaen www.blikopdewereld.nl
Veroordeling verdachte voor plegen ontucht met leerling
De meervoudige strafkamer rechtbank Leeuwarden heeft op 20 november 2008 een verdachte veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met één van zijn leerlingen. Het slachtoffer was destijds veertien jaar. De verdachte is veroordeeld tot de maximale werkstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Voorts moet verdachte het slachtoffer schadevergoeding betalen.
LJN: BG4884, Rechtbank Leeuwarden , 17/885071-08 VON
Datum uitspraak: 20-11-2008
Datum publicatie: 20-11-2008
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Ontucht met leerling, bewijsmiddelen, bewijsuitsluiting, vormverzuim
Uitspraak
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector straf
parketnummer 17/885071-08
vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 november 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],
wonende te [adres].
De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 6 november 2008 en 19 augustus 2008.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Almere.
Telastelegging
Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.
In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
Op schriftelijke vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 19 augustus 2008 is de telastelegging gewijzigd, zoals in die vordering staat omschreven. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van die vordering is aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd.
Vordering officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:
- veroordeling voor het primair telastegelegde;
- oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;
- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij de AFPN;
- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 1.685,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman heeft aangevoerd dat in het voorbereidend onderzoek op meerdere punten niet is gehandeld conform de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (hierna: Aanwijzing), namelijk:
- uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] op 11 januari 2008 in het bijzijn van haar zus is gehoord;
- de bandopname van het verhoor van [slachtoffer] is niet meer af te luisteren en
- het lijkt erop dat er een selectie is gemaakt van de aangetroffen sms-berichten in de telefoon van [slachtoffer].
De raadsman heeft de rechtbank op grond van voorgaande verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om bewijsuitsluiting van de verhoren van [slachtoffer].
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
De Aanwijzing bevat instructienormen die ertoe strekken de zorgvuldigheid, controleerbaarheid en neutraliteit van de opsporing en vervolging in zedenzaken te waarborgen.
De Aanwijzing geeft aan dat het de voorkeur verdient dat er geen vertrouwenspersoon aanwezig is bij de aangifte. De rechtbank stelt vast dat dit geen dwingend voorschrift is.
De rechtbank is voorts niet gebleken dat de aanwezigheid van de zus de waarheidsvinding heeft aangetast, nu [slachtoffer] tijdens latere verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris, in aanwezigheid van de raadsman van verdachte, een nagenoeg identieke verklaring heeft afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de in de Aanwijzing geformuleerde norm aldus niet is geschonden.
De Aanwijzing schrijft voor dat, voor zover de aangifte van seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties door het slachtoffer gedaan wordt, de aangifte dient te worden opgenomen op geluidsband. De rechtbank is hieromtrent het volgende gebleken.
Het slachtoffer heeft geen aangifte gedaan, maar een getuigenverklaring afgelegd in deze zaak. Volgens het relaas van de verbalisanten zijn alle verhoren in deze zaak auditief vastgelegd. Bij het opslaan van het verhoor van [slachtoffer] bleek dat het verhoor niet opgeslagen was, vanwege een technisch probleem. Het verhoor zou later met behulp van een zogenaamd recovery programma alsnog afluisterbaar zijn opgeslagen. De raadsman heeft het verhoor echter niet meer af kunnen luisteren.
De rechtbank stelt aldus vast dat het verhoor wel is opgenomen, maar door een technisch probleem niet meer afluisterbaar is geweest voor de advocaat. Dit verzuim levert niet een zodanig ernstig vormverzuim op, dat dit moet leiden tot de vergaande sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nu niet is gebleken of aannemelijk is geworden dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, in die zin dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekort gedaan. Nu de advocaat op andere wijze de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] heeft kunnen controleren tijdens de verhoren die zij heeft afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, is de rechtbank van oordeel dat dit ook niet behoeft te leiden tot bewijsuitsluiting.
Dat niet geheel duidelijk is of de telefoon van [slachtoffer] volledig is uitgelezen, doet hieraan volgens de rechtbank niet af, nu [slachtoffer] heeft verklaard dat het sms'en ook van haar uitging, dit voorts is gebleken bij het uitlezen van de telefoon van verdachte en dit niet van belang is voor een bewezenverklaring.
Bewijsmiddelen
De rechtbank past met betrekking tot de telastegelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2008, welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:
Ik heb op 20 december 2007 in de woning van [slachtoffer] met [slachtoffer] getongzoend en ik heb haar gestreeld over haar been, haar armen, haar nek en haar rug.
Ik was toen de leraar van de veertienjarige [slachtoffer].
Ik heb het volgende sms-bericht op 23 december 2007 naar [slachtoffer] verstuurd: 'binnenkort moet ji t weer doen net zo lkkr als de vorige keer toen je me aftrok hmmmm dat vond k egt geil..hvj xxx'.
2. het door de rechter-commissaris in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:
Ik kreeg Duits van [verdachte].
U houdt mij een sms-bericht voor van [verdachte] aan mij van 2 januari 2008: 'Hey lkkrtje ... k wil je verwenne.. je vingeren en likken en klaarmaken hmmmm mag dat?? en dat jij mij weer lkkr aftrekt en pijpt.' Ik weet nog dat ik dit bericht kreeg. Dat slaat op dat hij een keer bij mij thuis is geweest en toen heb ik hem afgetrokken. U houdt mij voor een sms-bericht van [verdachte] aan mij van 23 december 2007: 'binnenkort moet ji t weer doen net zo lkkr als de vorige keer toen je me aftrok.' Dit gaat ook over dezelfde keer. Dit was voor de kerstvakantie. Dit was op een donderdag 20 december. Ik heb [verdachte] afgetrokken op de bank bij ons thuis. [verdachte] kwam bij mij thuis in [plaats] en toen zoende hij mij en begon over mijn kleding te strelen. Ook onder mijn kleren. Die zoen was een tongzoen. Toen maakte hij zijn broek en riem los en deed zijn broek naar beneden. Hij pakte toen mijn hand en zei: wil je dit wel even doen? Hij deed mijn hand op zijn penis. Toen ging dit op en neer. Hij liet dat mij doen. Hij heeft mijn borsten betast en hij heeft met zijn hand op mijn onderbroek gewreven. Tongzoenen is vaker gebeurd.
3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] (pagina 20, 31, 32, 33, 34 en 35), welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:
Op 20 december 2007 kwam [verdachte] bij mij thuis in [plaats]. [verdachte] begon mij aan te raken op mijn hele lichaam. Hij heeft mijn kont overal aangeraakt met zijn hele hand.
Bovenstaande wettige bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang beschouwd- houden de redengevende feiten en omstandigheden in waarop de beslissing van de rechtbank steunt dat verdachte het hierna bewezenverklaarde feit heeft begaan.
Nadere bewijsoverweging
De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de plaats Wolvega is gelegen in de gemeente Weststellingwerf.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder primair: telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:
hij op 20 december 2007, te Wolvega, in de gemeente Weststellingwerf,
met de minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die als leerling van een school, waaraan hij, verdachte, als leraar was verbonden, aan diens opleiding was toevertrouwd, ontucht heeft gepleegd, hebbende verdachte
-die [slachtoffer] onder haar kleding over haar borsten en billen en elders over haar lichaam, betast en gestreeld en
-die [slachtoffer], zijn, verdachtes, penis, met haar hand laten vastpakken en vervolgens met die hand op en neer gaande bewegingen laten maken over de penis van hem, verdachte, en
-die [slachtoffer] getongzoend.
De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Kwalificatie
Het bewezene levert op het misdrijf:
primair:
Ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige.
Strafbaarheid verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:
- de aard en de ernst van het gepleegde feit;
- de omstandigheden waaronder dit is begaan;
- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;
- de vordering van de officier van justitie;
- het pleidooi van de raadsman.
Verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd bij een 14-jarig meisje, dat zijn leerling was. Verdachte was docent Duits. Via sms-en en MSN-en heeft verdachte een soort relatie opgebouwd met het slachtoffer. Een en ander is uiteindelijk uitgemond in ontuchtige handelingen, waarbij onder andere is getongzoend en het slachtoffer er toe gebracht is verdachte af te trekken. Door zijn strafbare handelen heeft verdachte de seksuele integriteit van een aan zijn opleiding toevertrouwde pupil geschonden. Dit is een ernstig strafbaar feit. Leerlingen en met name pubers, die op zoek kunnen zijn naar hun eigen seksuele identiteit, moeten zich in hun schoolomgeving veilig weten en niet worden lastig gevallen met seksuele toenaderingen van hun docenten.
Over verdachte is een voorlichtingsrapport opgemaakt, waarvan de rechtbank de conclusies overneemt. De reclassering heeft vastgesteld dat er een lage kans op recidive is. De reclassering acht het wel van belang dat er reclasseringstoezicht wordt opgelegd en dat de AFP wordt ingeschakeld omdat die specialistische kennis en ervaring heeft om te werken met mensen die veroordeeld zijn wegens een zedendelict.
Verdachte heeft betoogd dat hij naar aanleiding van het gebeurde zelf hulp heeft gezocht van een psycholoog en dat hij dat vrijwillige traject de voorkeur geeft boven een eventueel traject bij de AFP. Het strafbare feit heeft voor verdachte tot gevolg gehad dat hij zijn baan als docent Duits is kwijt geraakt en dat hij niet meer in het onderwijs werkzaam kan zijn. Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de maximale werkstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf is. Als bijzondere voorwaarde zal reclasseringstoezicht worden opgelegd, ook als dit inhoudt dat verdachte zich onder behandeling van de AFP Leeuwarden laat stellen. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient ertoe om de ernst van het feit aan te geven en ook om verdachte te weerhouden van het begaan van nieuwe strafbare feiten.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.
De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen, danwel niet-ontvankelijk te verklaren op grond van het volgende: [slachtoffer] heeft medeschuld en voorafgaand aan het contact tussen verdachte en haar ging het niet goed met haar.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde mantelzorg, ter hoogte van € 105,00, en de schoolkosten, ter hoogte van € 335,00, voldoende aannemelijk zijn geworden en in zodanig verband staan met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.
Dat [slachtoffer] ook contact heeft gezocht met verdachte doet hieraan niet af, nu artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht is geschreven ter bescherming van afhankelijke personen.
Ten aanzien van de gevorderde telefoonkosten en de vakantie is de rechtbank van oordeel dat deze onvoldoende causaal verband hebben met het gepleegde strafbare feit, zodat de benadeelde partij ten aanzien van deze onderdelen niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat alle immateriële schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit. In het leven van de benadeelde partij zijn immers ook andere factoren aanwijsbaar, die de immateriële schade kunnen verklaren. Een verdeling van deze factoren is in het strafgeding niet te maken.
Van enige immateriële schade, die het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit, is echter wel gebleken en de rechtbank zal de vordering dan ook tot een bedrag van € 500,00 toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van haar vordering.
De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen, voor het toe te wijzen bedrag.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c(oud), 22d, 36f(oud), 57 (oud), 249 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:
Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart het primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.
Veroordeelt verdachte te dier zake tot:
Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid. LJN: BG4884, Rechtbank Leeuwarden , 17/885071-08 VON
Datum uitspraak: 20-11-2008
Datum publicatie: 20-11-2008
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Ontucht met leerling, bewijsmiddelen, bewijsuitsluiting, vormverzuim
Uitspraak
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector straf
parketnummer 17/885071-08
vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 november 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],
wonende te [adres].
De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 6 november 2008 en 19 augustus 2008.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Almere.
Telastelegging
Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.
In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
Op schriftelijke vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 19 augustus 2008 is de telastelegging gewijzigd, zoals in die vordering staat omschreven. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van die vordering is aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd.
Vordering officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:
- veroordeling voor het primair telastegelegde;
- oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;
- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij de AFPN;
- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 1.685,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman heeft aangevoerd dat in het voorbereidend onderzoek op meerdere punten niet is gehandeld conform de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (hierna: Aanwijzing), namelijk:
- uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] op 11 januari 2008 in het bijzijn van haar zus is gehoord;
- de bandopname van het verhoor van [slachtoffer] is niet meer af te luisteren en
- het lijkt erop dat er een selectie is gemaakt van de aangetroffen sms-berichten in de telefoon van [slachtoffer].
De raadsman heeft de rechtbank op grond van voorgaande verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om bewijsuitsluiting van de verhoren van [slachtoffer].
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
De Aanwijzing bevat instructienormen die ertoe strekken de zorgvuldigheid, controleerbaarheid en neutraliteit van de opsporing en vervolging in zedenzaken te waarborgen.
De Aanwijzing geeft aan dat het de voorkeur verdient dat er geen vertrouwenspersoon aanwezig is bij de aangifte. De rechtbank stelt vast dat dit geen dwingend voorschrift is.
De rechtbank is voorts niet gebleken dat de aanwezigheid van de zus de waarheidsvinding heeft aangetast, nu [slachtoffer] tijdens latere verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris, in aanwezigheid van de raadsman van verdachte, een nagenoeg identieke verklaring heeft afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de in de Aanwijzing geformuleerde norm aldus niet is geschonden.
De Aanwijzing schrijft voor dat, voor zover de aangifte van seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties door het slachtoffer gedaan wordt, de aangifte dient te worden opgenomen op geluidsband. De rechtbank is hieromtrent het volgende gebleken.
Het slachtoffer heeft geen aangifte gedaan, maar een getuigenverklaring afgelegd in deze zaak. Volgens het relaas van de verbalisanten zijn alle verhoren in deze zaak auditief vastgelegd. Bij het opslaan van het verhoor van [slachtoffer] bleek dat het verhoor niet opgeslagen was, vanwege een technisch probleem. Het verhoor zou later met behulp van een zogenaamd recovery programma alsnog afluisterbaar zijn opgeslagen. De raadsman heeft het verhoor echter niet meer af kunnen luisteren.
De rechtbank stelt aldus vast dat het verhoor wel is opgenomen, maar door een technisch probleem niet meer afluisterbaar is geweest voor de advocaat. Dit verzuim levert niet een zodanig ernstig vormverzuim op, dat dit moet leiden tot de vergaande sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nu niet is gebleken of aannemelijk is geworden dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, in die zin dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekort gedaan. Nu de advocaat op andere wijze de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] heeft kunnen controleren tijdens de verhoren die zij heeft afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, is de rechtbank van oordeel dat dit ook niet behoeft te leiden tot bewijsuitsluiting.
Dat niet geheel duidelijk is of de telefoon van [slachtoffer] volledig is uitgelezen, doet hieraan volgens de rechtbank niet af, nu [slachtoffer] heeft verklaard dat het sms'en ook van haar uitging, dit voorts is gebleken bij het uitlezen van de telefoon van verdachte en dit niet van belang is voor een bewezenverklaring.
Bewijsmiddelen
De rechtbank past met betrekking tot de telastegelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2008, welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:
Ik heb op 20 december 2007 in de woning van [slachtoffer] met [slachtoffer] getongzoend en ik heb haar gestreeld over haar been, haar armen, haar nek en haar rug.
Ik was toen de leraar van de veertienjarige [slachtoffer].
Ik heb het volgende sms-bericht op 23 december 2007 naar [slachtoffer] verstuurd: 'binnenkort moet ji t weer doen net zo lkkr als de vorige keer toen je me aftrok hmmmm dat vond k egt geil..hvj xxx'.
2. het door de rechter-commissaris in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:
Ik kreeg Duits van [verdachte].
U houdt mij een sms-bericht voor van [verdachte] aan mij van 2 januari 2008: 'Hey lkkrtje ... k wil je verwenne.. je vingeren en likken en klaarmaken hmmmm mag dat?? en dat jij mij weer lkkr aftrekt en pijpt.' Ik weet nog dat ik dit bericht kreeg. Dat slaat op dat hij een keer bij mij thuis is geweest en toen heb ik hem afgetrokken. U houdt mij voor een sms-bericht van [verdachte] aan mij van 23 december 2007: 'binnenkort moet ji t weer doen net zo lkkr als de vorige keer toen je me aftrok.' Dit gaat ook over dezelfde keer. Dit was voor de kerstvakantie. Dit was op een donderdag 20 december. Ik heb [verdachte] afgetrokken op de bank bij ons thuis. [verdachte] kwam bij mij thuis in [plaats] en toen zoende hij mij en begon over mijn kleding te strelen. Ook onder mijn kleren. Die zoen was een tongzoen. Toen maakte hij zijn broek en riem los en deed zijn broek naar beneden. Hij pakte toen mijn hand en zei: wil je dit wel even doen? Hij deed mijn hand op zijn penis. Toen ging dit op en neer. Hij liet dat mij doen. Hij heeft mijn borsten betast en hij heeft met zijn hand op mijn onderbroek gewreven. Tongzoenen is vaker gebeurd.
3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] (pagina 20, 31, 32, 33, 34 en 35), welke -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudt:
Op 20 december 2007 kwam [verdachte] bij mij thuis in [plaats]. [verdachte] begon mij aan te raken op mijn hele lichaam. Hij heeft mijn kont overal aangeraakt met zijn hele hand.
Bovenstaande wettige bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang beschouwd- houden de redengevende feiten en omstandigheden in waarop de beslissing van de rechtbank steunt dat verdachte het hierna bewezenverklaarde feit heeft begaan.
Nadere bewijsoverweging
De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de plaats Wolvega is gelegen in de gemeente Weststellingwerf.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder primair: telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:
hij op 20 december 2007, te Wolvega, in de gemeente Weststellingwerf,
met de minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die als leerling van een school, waaraan hij, verdachte, als leraar was verbonden, aan diens opleiding was toevertrouwd, ontucht heeft gepleegd, hebbende verdachte
-die [slachtoffer] onder haar kleding over haar borsten en billen en elders over haar lichaam, betast en gestreeld en
-die [slachtoffer], zijn, verdachtes, penis, met haar hand laten vastpakken en vervolgens met die hand op en neer gaande bewegingen laten maken over de penis van hem, verdachte, en
-die [slachtoffer] getongzoend.
De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Kwalificatie
Het bewezene levert op het misdrijf:
primair:
Ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige.
Strafbaarheid verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:
- de aard en de ernst van het gepleegde feit;
- de omstandigheden waaronder dit is begaan;
- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;
- de vordering van de officier van justitie;
- het pleidooi van de raadsman.
Verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd bij een 14-jarig meisje, dat zijn leerling was. Verdachte was docent Duits. Via sms-en en MSN-en heeft verdachte een soort relatie opgebouwd met het slachtoffer. Een en ander is uiteindelijk uitgemond in ontuchtige handelingen, waarbij onder andere is getongzoend en het slachtoffer er toe gebracht is verdachte af te trekken. Door zijn strafbare handelen heeft verdachte de seksuele integriteit van een aan zijn opleiding toevertrouwde pupil geschonden. Dit is een ernstig strafbaar feit. Leerlingen en met name pubers, die op zoek kunnen zijn naar hun eigen seksuele identiteit, moeten zich in hun schoolomgeving veilig weten en niet worden lastig gevallen met seksuele toenaderingen van hun docenten.
Over verdachte is een voorlichtingsrapport opgemaakt, waarvan de rechtbank de conclusies overneemt. De reclassering heeft vastgesteld dat er een lage kans op recidive is. De reclassering acht het wel van belang dat er reclasseringstoezicht wordt opgelegd en dat de AFP wordt ingeschakeld omdat die specialistische kennis en ervaring heeft om te werken met mensen die veroordeeld zijn wegens een zedendelict.
Verdachte heeft betoogd dat hij naar aanleiding van het gebeurde zelf hulp heeft gezocht van een psycholoog en dat hij dat vrijwillige traject de voorkeur geeft boven een eventueel traject bij de AFP. Het strafbare feit heeft voor verdachte tot gevolg gehad dat hij zijn baan als docent Duits is kwijt geraakt en dat hij niet meer in het onderwijs werkzaam kan zijn. Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de maximale werkstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf is. Als bijzondere voorwaarde zal reclasseringstoezicht worden opgelegd, ook als dit inhoudt dat verdachte zich onder behandeling van de AFP Leeuwarden laat stellen. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient ertoe om de ernst van het feit aan te geven en ook om verdachte te weerhouden van het begaan van nieuwe strafbare feiten.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.
De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen, danwel niet-ontvankelijk te verklaren op grond van het volgende: [slachtoffer] heeft medeschuld en voorafgaand aan het contact tussen verdachte en haar ging het niet goed met haar.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde mantelzorg, ter hoogte van € 105,00, en de schoolkosten, ter hoogte van € 335,00, voldoende aannemelijk zijn geworden en in zodanig verband staan met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.
Dat [slachtoffer] ook contact heeft gezocht met verdachte doet hieraan niet af, nu artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht is geschreven ter bescherming van afhankelijke personen.
Ten aanzien van de gevorderde telefoonkosten en de vakantie is de rechtbank van oordeel dat deze onvoldoende causaal verband hebben met het gepleegde strafbare feit, zodat de benadeelde partij ten aanzien van deze onderdelen niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat alle immateriële schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit. In het leven van de benadeelde partij zijn immers ook andere factoren aanwijsbaar, die de immateriële schade kunnen verklaren. Een verdeling van deze factoren is in het strafgeding niet te maken.
Van enige immateriële schade, die het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit, is echter wel gebleken en de rechtbank zal de vordering dan ook tot een bedrag van € 500,00 toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van haar vordering.
De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen, voor het toe te wijzen bedrag.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c(oud), 22d, 36f(oud), 57 (oud), 249 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:
Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart het primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.
Veroordeelt verdachte te dier zake tot:
Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde:
- zich bij het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland;
- ervoor zorgt dat hij gedurende de proeftijd bereikbaar is voor deze reclasseringsinstelling;
- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens genoemde reclasseringsinstelling, ook als dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord Nederland.
Draagt genoemde reclasseringsinstelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres], toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 940,00 (zegge: negenhonderd veertig euro).
Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van € 940,00 (zegge: negenhonderd veertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 940,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. de Jong, voorzitter, mr. M.J. Dijkstra en mr. M. van den Bosch, rechters, bijgestaan door mr. E. Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 november 2008.
[ terug... ]

Maak vrienden
-
Wil je vrienden worden met machtsmisbruik?
Voeg toe als vriend...
Mijn vrienden / buddies
-
probleemoplossing(1)
sammm(1)
poll bezoekers
- Poll: Type bezoekers?
Tussenstand:

Ook een poll maken? klik dan hier