| Home | Gasten | Contact
» info GOG in de vakliteratuur
13-12-2009

Aanbevelingen inzake seksueel misbruik van professionals in de gezondheidszorg en in de hulpverlening

Deze aanbevelingen zijn een actualisering van het Vrouwenraaddossier van 2007 1 op basis van de resultaten van de Rondetafel 'Seksueel geweld door professionals in de gezondheidszorg en in de hulpverlening' van 14 mei 2009.

Uitgangspunten Vrouwenraad

Seksueel misbruik in de relatie professional/hulpverlener en patiënt/cliënt is te situeren op een continuüm (doorheen de tijd) van handelingen gaande van o.a. bedekte toespelingen, verleidingsgedrag, aanrakingen ... tot verkrachting.
Er zijn geen wetenschappelijke bewijzen voor het feit dat een seksuele behandeling van een patiënt/cliënt gunstige resultaten zouden opleveren, in tegendeel. Wanneer er sprake is van een seksuele relatie tussen een professional en een patiënt/cliënt is dit een misdrijf.

lees verder op:

www.vrouwenraad.be
topic : Geweld.
___________________________________________________________

13-12-2009

Vrouwenraadstandpunt
Seksueel misbruik door professionals
in de gezondheidszorg en in de hulpverlening

www.vrouwenraad.be

Seksueel misbruik door professionals in de gezondheidszorg en in de hulpverlening

Inhoud

Een scala aan handelingen 2
Cijfers 3
Wetgeving: rechten van patiënten/cliënten 4
Gezondheidszorgberoepen en deontologische codes 7
Aanbevelingen 10

Seksueel misbruik komt voor in de gezondheidszorg en de hulpverlening, zowel in residentiële als in ambulante settings, zowel in instellingen en centra als in privé-praktijken.

Vrouwenraadstandpunt

Seksueel misbruik door professionals in de gezondheidszorg en in de hulpverlening

Februari 2007 2 - Een scala aan handelingen

Er kunnen verschillende vormen van seksueel misbruik plaatsvinden:
- Erotiserend en seksueel getint gedrag: uiting van ongepaste intieme gevoelens in woord en/of gedrag;
- Onnodig aanraken: aanraking of betasting zonder dat dit binnen de professionele standaard van de betreffende beroepsgroep past;
- Onnodig uitkleden: de patiënt wordt gevraagd zich te ontkleden in een mate die voor het onderzoek of de behandeling niet noodzakelijk is; de patiënt wordt begluurd tijdens het uitkleden;
- Onnodig uitwendig en inwendig onderzoek: de patiënt wordt inwendig (vaginaal of rectaal) of uitwendig (borsten, geslachtdelen) onderzocht zonder dat dit voor de diagnose of behandeling noodzakelijk is;
- Aanranding
- Verkrachting

Deze feiten kunnen eenmalig zijn, maar ze kunnen zich ook gedurende een lange periode ‘opbouwend’ voordoen, van verleiding tot verregaand seksueel misbruik.
Soms kan het zelfs een hele tijd duren voordat patiënten/cliënten beseffen dat ze misbruikt worden of werden. Dit heeft te maken met de afhankelijkheidspositie waarin ze zich bevinden en de manier waarop die afhankelijkheid wordt misbruikt en vaak in stand wordt gehouden ten dienste van de professional zelf.
De patiënt/cliënt bevindt zich dan in een kwetsbare en gevaarlijke situatie omdat de professional veel over haar/hem weet en die vertrouwelijke informatie tegen haar/hem kan inzetten. Bij de patiënt/cliënt is er (lang) nadien altijd sprake van enorme schaamte- en schuldgevoelens.
Er zijn zelfs professionals die de patiënten/cliënt voorspiegelen dat seksueel contact een onderdeel is van de therapie.
Sommige professionals proberen via het bieden van therapie hun eigen onverwerkte emoties en psychische problemen te helen.
In de psychotherapie bijvoorbeeld, gebeurt het dat patiënten positieve overdrachtgevoelens ontwikkelen. Dit zijn in feite gevoelens van verliefdheid naar de professional toe. Er zijn professionals die ingaan op deze gevoelens. Dit wordt tegenoverdracht genoemd.

Het speelt geen rol of patiënten/cliënten toestemmen met seksueel getint gedrag of er zelf op aandringen. Ze zijn als hulpvrager afhankelijk van de professional. Deze bevindt zich in die hoedanigheid in een machtspositie. De relatie, in het kader van (een) consultatie/s, tussen de professional en de patiënt/cliënt is dus op zich ongelijkwaardig.

Het is aan de professional om niet over de ‘grens’ te gaan.

Lees verder op:

http://www.vrouwenraad.be/media/docs/pdf/links/seksueel_misbruik_prof.pdf
___________________________________________________________

24-11-2009

Interview-Tips van een berouwvolle “Seriepedofiel” aan ouders..

‘Toen ik negen was, had ik het idee dat ik elk kind kon krijgen.’ Het verhaal van Alan, een Amerikaanse pedofiel, is geen pretje om te lezen.
Niet de enkele seksuele beschrijvingen maar wel de passages waarin geïllustreerd wordt hoe een pedofiel kinderen manipuleert en controleert zijn schokkend.

‘Pedofilie draait niet om seks, maar om controle en macht. De beste manier om kinderen ertegen te beschermen, is ervoor zorgen dat ze zonder taboes, geheimdoenerij en vervreemding opgroeien’, zegt zijn therapeute en auteur Amy Hammel-Zabin.

Alan (een pseudoniem) heeft maar liefst 1.100 aanrandingen op zijn naam en werd tot vijf keer levenslang veroordeeld. Tien jaar lang schreef hij vanuit de gevangenis brieven aan therapeute Hammel-Zabin, die al jaren met pedofielen werkt. Langzaamaan is Alan de monsterachtige omvang van zijn daden gaan inzien en werd het schuldbesef enorm. Hij werd er aanvankelijk suïcidaal van. Uiteindelijk wou hij absoluut iets terugdoen voor de maatschappij, een soort boetedoening, hoewel hij beseft dat hij nooit zal genezen.

Hoe kan het dat hij pas in de cel, langzaamaan, een schuldbesef kreeg?

Amy Hammel-Zabin: “Zoals bij de meeste pedofielen is de basis voor Alans gedrag heel vroeg gelegd. Pedofilie ontstaat niet op je twintigste. Het is een spijtig feit dat pedofielen, vandaag, als kleine jongens in onze eigen gezinnen opgroeien. Al op zijn vijfde voelde Alan zich verward, eenzaam en onbegrepen. In zijn gezin waren emoties taboe. Toen zijn moeder hem betrapte op masturberen, was haar reactie hysterisch. Dat kind is seks meteen gaan associëren met iets slechts, dat je beter geheimhoudt.
Hij kreeg steeds meer het gevoel dat hij geen greep kreeg op de wereld en vluchtte daarom in fantaseren en masturberen.
Dat is ontspoord. Al op zijn negende kon hij zijn enige gevoel van macht opbouwen door andere kinderen te dwingen hun broekje af te doen. Het enige wat hem plezier kon verschaffen was seks en het enige wat hem een gevoel van controle kon geven was nog weerlozer kinderen dan hijzelf ertoe dwingen.Daarom deed hij wat hij deed. Het was zijn lot omdat de anderen hem niet aanvaardden.

Lees verder op:

www.stopkinderporno.com

Info: In de knop gebroken, Een pedofiel legt uit hoe zijn verwrongen geest werkt, dr. Amy Hammel-Zabin, Standaard Uitgeverij, 195 p., 16,95 euro, ISBN: 90-581-4007-5
___________________________________________________________

20-11-2009

Tijdschrift voor Seksuologie, 2002, 26: 9-25

Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht 1

Luk Gijs

Seksueel agressief gedrag is regelmatig gepleegd gedrag. Zo vonden Koss en collega's dat 53,7% van hun grote steekproef studentes (N = 3187) meldde dat ze slachtoffer geweest waren van seksuele agressie. Hoe komt deze agressie tot stand? In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de invloedrijkste algemene theorieën van de laatste 25 jaren over de ontwikkeling van seksueel agressief gedrag. Aan bod komen de biopsychosociale theorie van Marshall, Malamuths `confluence model' en de feministische theorieën van Abbey, Russell en Schwartz en Dekeseredy. Al deze theorieën vatten seksuele agressie op als een probleem van gedragsregulatie. Bovendien is er consensus dat seksueel agressief gedrag complex gedrag is dat biopsychosociaal en multifactorieel bepaald is.

Na de beschrijving van de verschillende theorieën worden een aantal evaluatieve kanttekeningen gemaakt. Ze betreffen (meta-)theoretische ontwikkelingen, methodische tekortkomingen en het gebrek aan klinische relevantie van de besproken theorieën. De conclusie is dat het aloude ideaal dat een goede theorie een empirisch gevalideerde theorie is, die inzicht biedt in de ontwikkeling van seksueel agressief gedrag en leidt tot erop gebaseerde effectieve diagnostische procedures en interventies verre van gerealiseerd is.

Etiologische theorieën over seksueel agressief gedrag: een inleidend overzicht

Seksueel agressief gedrag is in de Westerse samenleving regelmatig gepleegd gedrag, zoals de volgende cijfers illustreren (zie ook de bijdrage van Frenken). Koss en collega's (1987) rapporteerden op basis van een vragenlijst onderzoek bij 3187 Amerikaanse studentes dat 15,4% sinds hun 14de levensjaar minstens éénmaal slachtoffer van een verkrachting was geweest. En dat 12,1% sinds hun 14de minstens éénmaal slachtoffer van een mislukte poging tot verkrachting was geweest. Ongeacht de specifieke vorm meldde 53,7% van Koss' steekproef slachtoffer te zijn geweest van seksueel agressief gedrag (Koss, e.a., 1987; voor een replicatie van Koss' onderzoek in Duitsland: Krahé, 1998). Draijer (1990) stelde op basis van een steekproef van 1054 vrouwen vast dat in Nederland 15,6 % minstens één seksueel contact met een verwante persoon voor de leeftijd van 16 had ondergaan.

Lees verder op:

http://www.tijdschriftvoorseksuologie.nl/archief/tvs2002-01/gijs.htm
___________________________________________________________

29-10-2009

Demonen

Door: Caspar Koene
Uit: De Psycholoog, september 2009


Moeten psychologen, psychiaters of psychotherapeuten zich bezighouden met het uitdrijven van demonen?
Deze vraag stelt de schrijver zichzelf.

Het uitdrijven van demonen is niet nieuw en komt voort uit meerdere religies en culturen tot ver terug in de geschiedenis. Maar ook heden ten dage is het een fenomeen binnen de rooms-katholieke en meer charismatische protestante gemeenschappen dat wordt gepraktiseerd. Dat heet in Nederland het Bevrijdingspastoraat.

De reactie van de schrijver is gericht op een themanummer over demonie, bevrijdingspastoraat en psychiatrie van het tijdschrift 'Psyche en Geloof' en hem is gevraagd om vanuit beroepsethisch perspectief bij te dragen aan de discussie over een hoofdstuk over 'boosaardige krachten in de psychiatrie'.

Psychiater Bart Sonnenschein heeft in zijn artikel 'Onzichtbare boosachtige krachten in de psychiatrie' 2 cliënten als casus naar voren gebracht. Cliënt meneer Westra had volgens de psychiater een dissociatieve stoornis en hij behandelt deze cliënt zelf, maar heeft hem tevens doorverwezen naar het bevrijdingspastoraat. De 2e cliënt komt met klachten over het horen van stemmen en ook zij krijgt dezelfde ( vermoedelijke) diagnose. Omdat hij in het karakter van de stemmen enkele boosachtige krachten ontwaart stelt hij een klein exorcisme voor als experimentele behandeling. Aan het ritueel gaf de psychiater Sonnenschein zelf de leiding.

Het toepassen van niet-religieuze rituelen bij psychotherapeutische behandelingen gebeurt, na de dissertatie van Onno van der Hart (1978). Maar der psychiatrie is niet meer zo antireligieus als het ooit was. In de DSM-IV is een categorie Religieuze of spirituele problemen opgenomen en in de ICD-10 staat ook de Trance and Possession Disorder genoemd.

Op zich is het aanvaardbaar dat een medicus of psycholoog handelt vanuit verklaringsgronden buiten de eigen disciplines, zoals ook het gebruik van alternatieve vormen van behandelingen aanvaardbaar kan zijn. Al loopt met het risico op tuchtrechterlijke sancties. De schrijver wil hier geen uitspraak over doen. De uitspraak bij de casus van het college was dat de aangeklaagde psycholoog medeverantwoordelijk was voor het uitvoeren van een behandeling die niet binnen de discipline van de psychologie is geaccepteerd.

Als voorbeelden van alternatieve behandelingszaken noemt de schrijver de tuchtzaak rond Sylvia Millecam, waarbij de IGZ dan wel betoogt tegen het 'ontkennen van de reguliere zorg en het ontmoedigen van reguliere behandeling' maar tegelijk zegt dat zij geen bezwaren ziet tegen alternatief als additionele behandelwijze en vervolgens de Tuchtrechtszaak tegen een fysiotherapeut, waar bepaald werd dat zijn alternatieve behandelingen geen aantoonbare schadelijke gevolgen heeft gehad en zijn cliënten niet verstoken waren van heilzame behandelingswijzen, dus niet strafbaar zijn.

De schrijver wil geen parallel trekken tussen de religieuze visie en alternatieve behandelingen.
Wel ziet hij overeenkomsten in de paradigma's waar de behandelaar mee te maken krijgt.
Het gaat om geloven.
Gaat dat samen: psychiater en zielzorger? Dat is wat de schrijver als een reden ziet om vragen bij testellen.
Kunnen deze 2 rollen tegelijkertijd vervuld worden?
Al kan de schrijver geen waterdichte fundering vinden in de bestaande beroepsethiek, toch vindt hij van niet.

Bij cliënten met psychische problemen en stoornissen is duidelijkheid in de professionele relatie essentieel. De rolconflicten die kunnen ontstaan en de objectiviteit van de behandelaar verstoren, maar ook de rolverhoudingen tussen behandelaar en cliënten.
Er is een alom aanvaard verbod op intieme omgang met cliënten en misbruik van de machtspositie en persoonlijk gewin van de arts of psycholoog.
De schrijver stelt: 'Maar is dat altijd zo? Wat als het nu gaat om een echt consensuele relatie tussen twee autonome, volwassen personen, zoals een boze cliënte eens stelde? ( vreeide, in Lindsay et al. 2008). Dit laatste illustreert mijn overtuiging dat het verbod op intieme relaties tussen hulpverleners en patiënten niet stoelt op een intrinsieke immoraliteit van zo'n relatie – hoe kan intimiteit ooit als intrinsiek immoreel worden gezien?- maar op het onaanvaardbaar hoge risico van misbruik en het daarmee eroderen van de veiligheid van de behandelrelatie'.

Noot E.Tina J. : Het is mij niet helemaal duidelijk wat de schrijver hier bedoeld. Een relatie aangaan is hoe dan ook schadelijk, maar verliefdheid en liefde van zichzelf zijn aanvaardbare gevoelens.

In de beroepscode van de NVP, 2007, staat dat de psychotherapeut met de cliënt geen andere relatie dan een behandelingsrelatie mag hebben. Het behartigen van belangen van de cliënt valt
niet onder deze behandelingsrelatie. Andere beroepscodes zijn minder strikt vanwege de bredere beroepsuitoefeningen die eronder vallen.
Psychologen vervullen liever geen verschillende professionele rollen, tegelijkertijd of achtereenvolgend, (NIP, 2007).

Sonnenschein kan op dit moment niets verweten worden op basis van het artikel, mits één van zijn cliënten op een gegeven moment een klacht zou indienen. Bijvoorbeeld als cliënt Els in een religieuze crisis raakt. Zou zij nog de veilige plek kunnen vinden bij haar psychiater, die zo nauw betrokken was bij haar bevrijdingsritueel?
'Net als liefde kan het goeddoen nooit als intrinsiek slecht worden gezien, maar kan het onder omstandigheden toch aangewezen zijn om een andere weg te bewandelen'.

Bewerkt door E.Tina J.

Magnetische stenen – het gebruik van een niet-psychologische methode door de psycholoog
Door: Henk Geertsema
Uit: De Psycholoog, jaargang 44, mei 2009

Casus:
Een bedrijfspsycholoog is aangeklaagd bij het College van Toezicht van het NIP. Hij is aangeklaagd door zijn ex-vrouw.
De klacht bestaat uit 3 onderdelen:
1- de therapeut is een relatie met cliënt aangegaan, terwijl zij nog bij hem in behandeling was en heeft hiermee de beroepscode overschreden ( art. 111.1.3.4, 111.1.3.6, 111.3.7, 111.1.3.8., *)
2- zijn ex-vrouw heeft schade in materieel opzicht geleden, omdat zij samen een bedrijf zouden opzetten en er zijn hiervoor al de nodige kosten gemaakt.
3- de psycholoog heeft de beroepsgroep schade aangedaan door zijn relatie met de cliënt en de behandeling met magnetische stenen (111.4.1.2 van de beroepscode **)

De psycholoog verdedigt de klacht met het gegeven dat het zijn ex-vrouw is die de klacht indient en dat de genoemde artikelen zijn bedoeld om de cliënt te beschermen en niet een derde persoon ( art. 2.1.3 van het Reglement voor het Toezicht).
Ook verdedigt hij zich door te wijzen op het feit dat de persoonlijke relatie pas later is ontstaan en dat er een periode heeft gezeten tussen de laatste therapiesessie en de relatie.
Hij heeft de cliënt behandeld met magnetische stenen in oktober 2001 tot najaar 2002 en daarna aan haar de stenen geleend. Nadat er in het voorjaar van 2003 weer contact was ontstond er een vriendschappelijke relatie die in november een intieme relatie werd.
Op de derde klacht reageert hij met onderbouwing van artikel 111.1.1.1 (***) van de Beroepscode dat slechts het belang van het vertrouwen in de wetenschap der psychologie wordt beschermd, die van de psychologiebeoefening en van collega’s.

Het College oordeelt dat de klacht in behandeling moet worden genomen vanwege de elementen die erin zitten die de beroepsgroep schade kunnen toebrengen.
N.a.v. klacht 1 is er voldoende tijd geweest tussen hert beëindigen van de professionele relatie en het aangaan van de relatie met de cliënt ( volgens der psycholoog een jaar, volgens de cliënt een halfjaar). Deze is dus op basis van de genoemde beroepscode ongegrond.
Maar het behandelen met magische stenen wordt wel kritischer beoordeeld. Als psycholoog heeft hij een behandeling aansluitend bij zijn beroepsgroep vervolgd met één in zijn privépraktijk met de magische stenen. Dit heeft tot rolonduidelijkheid geleid en dat is in strijd met artikel 111.1.3.1.
De psycholoog kreeg een waarschuwing opgelegd.

Niet tevreden met deze uitkomst gaat de psycholoog in beroep bij het College van Beroep.
Hij voert twee klachten aan:
1: De klacht van zijn ex-vrouw had niet in behandeling moeten worden genomen, omdat zij geen belanghebbende is.
2: Hij is ten onrechte veroordeeld op zijn behandeling met magische stenen.
Het College van Beroep is het echter met het College van Toezicht eens dat er terecht een uitzondering is gemaakt op de regel dat de klager een belang in de klacht moet hebben, omdat deze wel in het belang van de psychologie of psychologiebeoefening is.
Ook deelt het College van Beroep de mening dat de behandeling met de stenen door een psycholoog in strijd is met de Beroepscode. De cliënt mag een behandeling verwachten op basis van methoden die volgens de psychologische wetenschap zijn getoetst op doeltreffendheid en doelmatigheid.
Bovendien is het aan de psycholoog om helder te zijn tegenover de cliënt wat zijn hoedanigheid is als psycholoog of andere rol en wanneer hij zijn rol verandert.

De therapie door de bedrijfspsycholoog werd na 8 sessies beëindigd. De cliënt gaf aan last te hebben van slaapklachten en hij besloot haar een jaar lang te behandelen met de biosyntonie methode. Hij heeft deze methode niet in privésituaties toegepast en de methode met de cliënt van te voren besproken. De cliënt verklaarde dat zij ervan op de hoogte was dat het psychologische behandeling na 8 sessies beëindigd was en dat de biosyntonie een geheel andere behandeling was.
Het College van Beroep oordeelt dat de behandeling met de magnetische stenen niet in de psychologische praktijk is toegepast en dat er geen sprake was van rolonduidelijkheid.
Het College verwerpt het oordeel van het College van Toezicht.

Reactie Henk Geertsema:

Er zitten voor de beroepsgroep van psychologen interessante en leerzame aspecten in deze zaak.
1: de klacht is afkomstig van een andere hulpverlener
Het gaat hier om een klacht van de ene hulpverlener tegen de andere. Dat komt niet vaak voor. Er is wel een richtlijn in de Beroepscode hoe psychologen onderling dienen te handelen:

De psycholoog volgt het handelen van collega’s kritisch en stelt dat handelen ter discussie als daar aanleiding toe is. Hij spreekt collega’s erop aan als hij meent dat zij in strijd met de bepalingen van de beroepscode handelen of hebben gehandeld. Hij zorgt dat de belangen van cliënten door dit aanspreken niet wordt geschaad. De psycholoog dient geen klacht in tegen een collega voordat hem is gebleken dat deze collega weigert zijn handelen te verantwoorden in een collegiaal dispuut of volhardt in het verondersteld ethisch onjuiste handelen.

Psychologen staan elkaar eerst bij in hun professioneel handelen; een klachtenprocedure is pas een laatste middel.
Een klacht indienen tegen een collega-hulpverlener voelt algauw als ‘klikken, verraad, nestbevuiling en matennaaien’( Nobel, 1994). Om constructief te reageren bij beroepsethische fouten van collega’s noemt Leijssen ( 2005, pag. 129) een aantal vuistregels die gehanteerd kunnen worden:
1- neem rustig de tijd, maar houd het bij een professionele setting
2- beschrijf feiten en concreet gedrag. Het meest wenselijk en ook het gemakkelijkst is reageren op recente gebeurtenissen of voorvallen.
Men mag aannemen dat psychologen en psychotherapeuten beschikken over dergelijke feedbackvaardigheden. Waarschijnlijk ligt het meer aan de weerstand.

Nobel ( 1994) beschrijft, mede op basis van een Amerikaans onderzoek, dat wanneer hulpverleners tijdens de behandeling van een cliënt horen over normoverschrijdend gedrag van een collega, zij de cliënt wijzen op de mogelijkheid om een klacht in te dienen. Eerder dan zelf rechtstreeks hun collega aan te spreken.
In een enquète onderzoek door Koene (1993) onder NIP leden werd het dilemma voorgelegd:
‘Een cliënte vertelt u dat zij nog steeds woedend is dat haar vorige psychotherapeut, onder andere, seksuele avances maakte. Dit is de derde keer dat u dergelijke verhalen hoort over betreffende collega’
93% gaf aan de cliënte duidelijk te maken dat zij een klacht kan indienen bij het College van Toezicht of bij de Inspecteur van de Volksgezondheid, slechts 10% koos ervoor contact op te nemen met de collega en hem aan te spreken en slechts 5% zou zelf een klacht indienen.

Het zou niet bij de externe partijen moeten liggen om verantwoordelijkheid te nemen, maar dit zou van de beroepsgroep zelf moeten uitkomen.
Nobel (1994) stelde een verplichte intercollegiale toetsing voor. Dan hangt het succes wel af van de inbreng van de deelnemers. Daarnaast pleit hij voor een meldingsplicht, met behulp van een collega consulent. Hier is sindsdien niets mee gedaan. Er zijn wel klachtenfunctionarissen in de gezondheidszorg, maar die zijn er vooral ter ondersteuning van de cliënt.

Wat betreft het werken met magnetische stenen kunnen we ons afvragen welke alternatieve behandelingen nog meer niet thuis zouden horen in de psychologenpraktijk. De uitspraak is zeker niet bedoeld om een onderscheid te brengen tussen lichaam en geest. Wordt een behandeling door collega’s als psychologisch erkend? Relevante literatuur, opleiding, super- en intervisietrajecten zijn hierbij van essentieel belang. “Het functioneren van de psycholoog is nooit alleen een individuele zaak, maar moet gezien worden in de context van de beroepsgroep als een - hoe abstract ook – gemeenschap “( Geertsema).

Drs. H. Geertsema, gezondheidspsycholoog, voorzitter Bestuurscommissie Ethische Zaken en onderwijscoördinator bij GERION/VU Medisch Centrum Amsterdam

Samengevat door: E.Tina J.




[ terug... ]Omhoog

Maak vrienden

Mijn vrienden / buddies

poll bezoekers


http://www.machtsmisbruik.nu